Het eerste wat Jezus na zijn verrijzenis de apostelen toewenst, is de vrede: ‘Vrede zij u!’ Vrede is de oudste droom van de mensheid, het onsterfelijk heimwee van elke mens. Door zijn leven, dood en verrijzenis is Jezus zelf onze vrede geworden. Zo is de vrede een paasgeschenk van Jezus aan zijn Kerk, een geschenk dat nog nooit volle werkelijkheid is geworden en zo is het ook een paasopdracht geworden. Wij moeten de verzoening en vrede die Jezus door zijn paasmysterie bewerkt heeft, gestalte geven in onze samenleving. Als er van deze verzoening met God en onder elkaar zo weinig te merken valt, dan is het ook gedeeltelijk omdat er in de kerk altijd wel iets is om ruzie over te maken. En het tragische is dat het vaak heel brave mensen zijn die oorzaak zijn van onvrede door andere christenen te verketteren. Vrede was er niet in de eerste eeuwen van het christendom, de heidense schrijver Ammianus Marcellinus schrijft misschien wel met een beetje overdrijving: ‘Zelfs de wilde dieren in de arena zijn minder wreed tegenover hun soortgenoten dan de christenen onder elkaar’. En toch… blijkt uit heel de Schrift dat vrede, eenheid, broederlijkheid Messiaanse gaven zijn, zij liggen na de verrijzenis binnen ons bereik en het is een paasopdracht deze gaven waar te maken.
Wij zijn vandaag in deze eucharistieviering samengekomen om de gave - de vrede - van Christus te ontvangen en ook om volgens de opdracht van Jezus vrede onder elkaar te stichten.
Enkele jaren geleden zijn wij begonnen tijdens de zondagsmis bij de vredesgroet elkaar de hand te geven. Na de mis telefoneerde mij eens een man en vroeg: ‘Hoe komt u erbij om vreemde mensen in de kerk elkaar de hand te laten geven? Als ik naar de schouwburg ga of met de trein reis, dan geef ik de anderen toch ook geen hand. Waarom dan juist in de mis de anderen een hand geven? De mis interesseert mij, maar wat gaan die mensen mij eigenlijk aan? Dat is mijn mis en ik wil daarin niet gestoord worden’. Ik heb heel voorzichtig geprobeerd hem te zeggen dat hij in geen geval mocht beweren dat het ‘zijn’ mis was. Het is ‘onze’ eucharistieviering. In die viering komt het woordje ‘ik’ zo goed als niet voor, alleen als ik zeg: ‘Ik beken dat ik gezondigd heb’ - ik kan moeilijk beginnen met te zeggen dat anderen gezondigd hebben - en ‘Heer, ik ben niet waardig’ - over de anderen kan en mag ik niet oordelen - maar buiten die twee keren spreken wij altijd van ‘wij’: ‘Wij loven en aanbidden u; wij zeggen U dank; wij zijn met ons hart bij de Heer; Heer, ontferm U over ons
En bij de consecratie zegt de priester: ‘Dit is mijn Lichaam’. Deze hoofdzin horen wij altijd heel bewust, maar de bijzin: ‘dat voor u gegeven wordt’ maar daar slaan wij bijna nooit acht op. ‘Gegeven voor u, vergoten voor u’: in zijn zijn-voor-de-anderen wil Jezus ons opnemen, en daardoor ontstaat er vrede, worden wij verzoend met Jezus en met elkaar. Twee keer strekken wij tijdens de eucharistieviering onze hand uit, een lege hand naar God, om Hem te ontvangen en een lege hand naar de mensen rondom je om vrede te schenken. Zo gebeurt het wonder: communicerend met onze evennaaste communiceren wij met God. Zoals immers dit brood één is, zijn wij allen één, als wij eten van dit brood. Zo is Jezus voor ons de vrede geworden en wil Hij dat wij die vrede verder geven aan de anderen.
‘Hoe kom ik ertoe?’ vroeg die man aan de telefoon, ‘om vreemde mensen in de kerk de hand te geven?’ Heel eenvoudig, omdat er in de kerk geen vreemde mensen zijn. Wij geven elkaar de hand en schenken elkaar de vrede om samen de vrede met Christus deelachtig te kunnen worden…