Na Pinksteren keert de kerk zich tot de kern van het geloof: de drie-ene God. Kunnen we binnen dringen in dit mysterie? Alle theologen die geprobeerd hebben hun geloof in woorden te uiten, moesten uiteindelijk erkennen dat woorden tekort schieten. Toch doen we er niet het zwijgen toe omdat God toch onze hartstocht is. We beseffen dat er geen andere bron van leven is dan deze God die ons tot leven geroepen heeft. We geloven in een God die ons voortdurend roept en steeds weer wil bevrijden, van alles wat duister en dood is.
Deze God die ons uit de leegheid van ons bestaan wil bevrijden, toont zich in vele gedaanten, maar vooral in die aloude namen, Vader, Zoon en Geest wil hij aanwezig zijn in onze wereld. Is er ruimte voor Hem? Laten we ons door zijn woord in beweging brengen? Hoe is onze relatie met de Levende?
Als Mozes gevraagd wordt wie God is, gaat hij verhalen vertellen. Hij vertelt verhalen die ook tegelijk zijn eigen levensverhalen zijn. Een aantal van die verhalen kennen we. Vooral het verhaal van het brandend braambos en dat van de doortocht door de Rode Zee is bekend. God die machtige werken en wonderen toont aan zijn volk. Een machtig beeld van de albeheerser die onze geschiedenis leidt. Het gesprek van Mozes met God vindt echter plaats op een dieptepunt in de relatie tussen God en zijn volk. Het volk heeft in afwezigheid van Mozes een gouden beeld van een kalf gemaakt en dat als een godheid aanbeden. Het is ze bijna niet aan te rekenen. Ze hebben generaties in Egypte gewoond, waar de goden in allerlei diergestalten werden afgebeeld. Mozes heeft uit woede de stenen tafelen kapot gegooid. Hij heeft nu een nieuwe set gekregen: God blijft trouw ondanks de fouten die het volk gemaakt heeft. God is niet alleen een machtige leider van zijn volk, maar is ook vergevingsgezind en trouw. Hij snapt dat er voor het volk nog een lange weg te gaan is. Men staat nog maar aan het begin van de ontdekkingstocht die door de woestijn leidt, maar die naar het beloofde land leidt. Dat land kunnen ze binnengaan wanneer ze God beter leren kennen en begrijpen welke opdracht zij zelf hebben.
Het eerste wat mensen moeten leren om hun spreken over God in de juiste proporties te zien. De Israëlieten in de woestijn hebben behoefte aan een concreet beeld waarop zij zich kunnen richten. De godheid krijgt een gezicht en een identiteit. Daar kun je je op richten en kun je al je gebeden en vragen op afvuren. De Bijbelse boodschap is dat we daar voorzichtig mee moeten zijn. Er is geen beeld dat de werkelijkheid van God kan bevatten. Dat zou God opsluiten in onze werkelijkheid, dat zou God tot product van onze fantasie en ons verlangen maken. We kunnen dus God eigenlijk niet afbeelden.
Het lijkt er echter op dat onze tijd juist een andere verleiding kent. Het lijkt erop alsof onze tijd juist geen beelden wil. Het geloof in een persoonlijke God met naam en toenaam lijkt voor veel mensen moeilijker geworden. Als mensen gevraagd wordt naar hun Godsbeeld, dan komt er op zijn best uit dat ze wel in iets geloven. Het heeft zelfs een naam gekregen ietsisme. Het is een sociaal correct antwoord: je stoot er niemand mee voor het hoofd, het is heel algemeen en het vraagt ook geen enkel engagement, want iets doet niets. Het vraagt niet, het roept niet, het corrigeert niet. Iemand die zegt dat hij/zij wel in iets gelooft, hoeft met die uitspraak verder niets te doen. Geloven in iets staat voor mij gelijk in geloven in niets.
Wanneer wij zeggen dat we in God geloven, dan beginnen we direct een verhaal te vertellen. De volgende vraag is natuurlijk: wie is die God dan voor jou? Wanneer heb je Hem dan ontmoet? Waar ben je Hem tegengekomen? Je kunt niet over God spreken zonder je eigen levensverhaal te vertellen, van je eigen tocht door de woestijn, je eigen zoeken naar het beloofde land, maar ook van de stem in je geweten en in je hart die tegen je zegt dat je hier met een opdracht tot liefde bent. De weg van Mozes kunnen we ook terugvinden in ons eigen leven. We ontdekken dat God ons nodig heeft om zijn heilsgeschiedenis te voltrekken. Dat hoeft niet altijd de grote wereldgeschiedenis te zijn, dat is net zo goed in de levensopdracht van ieder van ons gelegen, hoe bescheiden ons leven is.
De mens die zijn eigen levensgeschiedenis niet verbindt aan de roeping van de Vader, zegt Jezus, veroordeelt zichzelf tot een zinloos bestaan, een bestaan dat voorbijgaat en geen blijvende vruchten draagt. Wanneer wij ons geloof uitspreken in de drie-ene God betekent dit dat ons leven in relatie staat tot God de Vader die de schepper is, God de Zoon die ons bevrijdt en God de H.Geest die ons leven zal voltooien. Het geloof in de drie-ene God geeft niet alleen God een gezicht en een Naam, maar dat geeft ook aan onszelf een gezicht en een naam, een gezicht en een naam die niet voorbij gaan maar die uiteindelijk geborgen zullen zijn in God. Die God laat ons niet los en wij willen die God ook nooit meer loslaten. Hij is onze tochtgenoot die zal ons voeren naar het beloofde land en omdat Hij met ons op tocht gaat, mogen wij nu al op dit hoogfeest van de Drie-ene God de vreugde van dat beloofde land smaken.
Amen.