Een mij onbekende collega en ik kregen deze afgelopen week allebei een e-mail van een dame hier uit de buurt die “trouw in een kerkkoor” zingt, zoals ze zelf schreef en die zich erover opwond dat er vorige week zondag, met Pinksteren, “met geen woord over de vreselijke ramp in Birma” werd gerept. Het had haar al de hele week beziggehouden schreef ze. En nu was haar vraag aan ons, aan een collega Louis die ergens in Haarlem moet zitten (ik denk dat ’t een dominee is); nu was haar vraag aan Louis en mij of wij Birma “ook dood gezwegen hadden” zoals ze dat uitdrukte …
We krijgen als kerk dat soort kritiek wel vaker, veelgeliefden: Waar zijn jullie eigenlijk mee bezig? Jullie zitten daar maar vroom op je knietjes - terwijl de wereld in brand staat en terwijl er wereldwijd mensen in nood zijn. Wat heeft dat bidden toch voor zin? Dóe liever iets! Die “God” van jullie: dat is toch een gedachten-constructie, een verzinsel van mensen? Zonde (!), alle energie die je daar in steekt! Steek je handen liever uit de mouwen.
Het kan geen kwaad denk ik, om op deze zondag waarop wij het hoogfeest van de Heilige Drieëenheid vieren; het kan geen kwaad, zo denk ik, om daarbij zulke kritiek van niet-gelovigen in gedachten te houden. Want je kunt over die Drieëenheid heel gemakkelijk allerlei zeer diepzinnige, maar ook erg abstracte beschouwingen houden. Denken over de Drieëenheid Gods wordt al gauw een soort hogere wiskunde, abacadabra, waarmee je als met een luchtballon van de aarde opstijgt. Maar U weet mensen: als je een ballonvaart maakt, dan moeten er ook altijd zakken zand aan boord zijn, want anders stijg je té hoog op en dat is gevaarlijk. Dan spát de ballon op een gegeven moment uit elkaar … Nee, we moeten wél de aarde in de gaten blijven houden. Als wij vandaag spreken over de Heilige Drieëenheid moeten we wel Birma en China in de gaten houden. Mensen in die landen zijn getroffen door verwoestende natuurrampen, een cycloon en een aardbeving. Daarbovenop worden ze ook nog eens geconfronteerd met de gevolgen van menselijk falen en van corruptie. Want in China is gebleken dat de scholen waren gebouwd, niet van staal en beton, maar van tofu. En als we het nog niet zeker wisten, dan is het nu inmiddels wel zonneklaar: De junta van Birma is een duivels bewind. Want de Birmezen in het getroffen gebied zakken weg in de modder. Ze hebben geen dak meer boven ’t hoofd, er is de bedreiging van besmettelijke ziektes en de mensen sterven van de honger. Veelgeliefden: wat hebben die mensen in godsnaam aan de Heilige Drieëenheid?
Nou, mogelijk toch wel wat …
Want in de eerste lezing hoorden we over de godsopenbaring die Mozes ontvangt bovenop de berg Sinaï. Vorig jaar kort na Pasen waren wij daar op die plek met een groep vanuit deze parochie: Wat een ervaring was dat! God zegt tegen Mozes wie en vooral hóe Hij is: “een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft …”. Dat is de éne kant van de balans, van de weegschaal. Naar die kant slaat Hij door. Dat is goed nieuws, óók voor de getroffen mensen in China en Birma. Aan de basis van ons aller bestaan ligt dat enorme reservoir van liefde. Mogen alle mensen wereldwijd zich daarvan bewust zijn! En mogen alle mensen aansluiting zoeken bij dat reservoir: zodat de liefde Gods het bestaan van allen kan doorstromen en bevloeien, onder water kan zetten. De balans heeft echter ook nog een andere schaal. Want God “(laat) een schuldige niet ongestraft (…), en “(straft) de misdaden van de vaders (…) in hun kinderen en kleinkinderen, in de derde en vierde generatie”. Ja mensen, zo is dat. Wij zijn in allerlei opzichten “erfelijk belast” zoals dat heet. Laatst heb ik deze bijbeltekst voorgelezen bij de uitvaart van een man die de enige zoon was van gescheiden ouders en die zelf ook weer één zoon kreeg en van wie het huwelijk óók geen standhield. Mensen hebben de neiging om te vervallen in oude fouten, in fouten waarmee hun voorgeslacht ook al kampte. Mensen kunnen dat ervaren als een gedoemd zijn, ja als stráf bijna van godswege - zodanig zelfs dat men zich op zo’n beeld van een straffende God fixeert en vergeet dat bij God de balans écht doorslaat naar de kant van de liefde: Hij mag dan misdaden van de vaders straffen in hun kinderen en kleinkinderen, in de derde en vierde generatie, Hij bewijst echter goedheid tot in de duizendste generatie. Echt een aansporing derhalve, deze bijbeltekst, “om het huisje bij het schuurtje te houden” en om van God geen boeman te maken - hoewel we natuurlijk wél hopen dat de leiders van de junta van Birma de kous ook van godswege nog eens goed op hun kop krijgen.
Mochten we nog vragen en twijfels hebben wat betreft de “aard van God”, dan kunnen die vragen en twijfels hopelijk weggenomen worden door Zijn eniggeboren Zoon die Hij aan de wereld heeft geschonken zoals we in het Johannes-evangelie vandaag hoorden. “Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden!” Iedereen die in Hem, in Jezus, gelooft gaat niet verloren maar bezit eeuwig leven. Aan Hem kun je jezelf vasthouden, óók als de aarde beeft of als een cycloon raast en als je in de prut zit en er komt geen hulp.
Veelgeliefden, hoe zít dat dan? Hoe wérkt dat dan? Hoe houd je jezelf dan aan Hem vast? Dat gebeurt, veelgeliefden, in en door de Geest. Wie zich openstelt voor Gods Geest, heel bewust en constant, die zal ervaren dat die Geest steeds meer in hem of haar gaat leven en deel gaat uitmaken van zijn of haar bestaan. Dan word je door die Geest gedragen, altijd en overal. En moge dan komen, veelgeliefden, wat komt: Jij bent dan in en door die Geest van God die dezelfde Geest is als die van Jezus; jij bent dan in en door die Geest geborgen.
Over hoe dit werkt, over hoe de Geest van God werkt gaat een prachtig mystiek gedicht van Jan Luyken waarmee ik deze verkondiging wil afsluiten. Luister!
Ik meende ook, de Godheid woonde verre,
in enen troon *(=in de hemel)*, hoog boven maan en sterre,
en heften menigmaal mijn oog,
met diep verzuchten naar omhoog.
Maar toen Gij U beliefden te openbaren,
toen zag ik niets van boven nedervaren;
maar in de grond van mijn gemoed,
daar werd het liefelijk en zoet.
Daar kwaamt Gij uit der diepten uitwaarts dringen,
en als een bron mijn dorstig hert *(=hart)* bespringen,
zodat ik U, O God, bevond
te zijn de grond van mijnen grond.
Dies *(=daarom)* ben ik blij dat Gij, mijn hoog beminden,
mij nader zijt dan al mijn naaste vrinden.
Was nu alle ongelijkheid voort *(=weg),*
en het herte (=hart) rein gelijk het hoort,
geen hoogte, noch geen diepte zou ons scheiden,
ik smolt in God, mijn Lief; wij wierden beide
één Geest, één hemels vlees en bloed,
de wezentheid *(=het wezen)* van Gods gemoed.
Dat moet geschiën. *(=Dat moet gebeuren!)*
Och, help, getrouwe Heere,
dat wij ons gans *(=helemaal)* in uwen wille keren.
(= dat wij ons helemaal vereenzelvigen met Uw wil) Amen.