Als ik op huisbezoek ben, gebeurt het wel eens dat het gesprek blijft hangen op een bepaald niveau. Mensen vertellen eindeloos dezelfde verhalen over wat er gebeurd is, wat hen overkomen is. U herkent dat vast wel. Soms is het goed om die verhalen alle ruimte te geven. Sommige verhalen moeten steeds weer verteld kunnen worden; alleen zo is iemand in staat het gebeurde stapje voor stapje een plaats te geven in zijn leven. Maar soms denk ik: nou weet ik het allemaal wel. De kunst is dan om meer diepgang in het gesprek te brengen. Laatst zei ik tegen iemand: praten met jou is als het rondlopen in een kamer. Aan de wand hangen grote schilderingen uit jouw leven. Over jouw trofeeën, over alles waar je trots op bent. Maar vooral over jouw tragiek, over alles wat je ongelukkig maakt. Hoe meer je ernaar kijkt, hoe groter en massiever ze worden. Laten we naar het midden van de ruimte gaan, even met de rug naar de verhalen. Laten we de trap afdalen naar de ruimte eronder. We verlaten de wereld van de gedachten, de herinneringen en de emoties. We gaan naar de ruimte van de ziel, de ruimte waar zichtbaar kan worden wie jij ten diepste bent. Daar kun je ontdekken: je hebt verdriet, je hebt woede, maar je bent niet een en al verdriet en woede. Onder al die gevoelens is er nog een andere laag, de laag van je diepste Zelf, de laag waar je rechtstreeks met God verbonden bent. Misschien kun je daar de kracht opdoen om op een andere manier terug te keren naar je dagelijks leven, de kamer van je verhalen. Dat je daar langs de schilderijen heen loopt. Je weet dat ze er zijn, maar je aandacht wordt er niet meer door opgeslokt. Zomaar ineens ga je de ramen openen, en je snuift frisse lucht op, met diepe halen. De frisse lucht van de lente, van het nieuwe leven dat in jezelf gaat groeien.
De persoon met wie ik sprak was allerlei sprookjes en mythen aan het lezen. Heel oude verhalen, soms van ver voor het christendom. Verhalen die vol wijsheid zitten, en die vaak gaan over een innerlijke weg die mensen moeten gaan om opnieuw het geluk te vinden. Het verhaal over Blauwbaard bijvoorbeeld, en over Wasilissa de Wijze. In al die verhalen is sprake van positieve en negatieve krachten in onze omgeving en in onze geest. De negatieve kracht, een soort natuurlijke roofvijand, probeert mensen te beroven van hun gevoel van eigenwaarde. Hij zegt voortdurend: “Dat kan je niet, dat mag je niet, je stelt niets voor”. Of hij probeert mensen juist te verleiden zichzelf te overschatten, hoogmoedig te worden. Gelukkig is er ook een tegenkracht, de kracht van de intuïtie, van de innerlijke wijsheid. De kracht waardoor je aanvoelt waar gevaar dreigt, en waar kansen liggen. De kracht die je in staat stelt te doen wat moet worden gedaan. De kracht ook die je in staat stelt je te verzoenen met waar niets meer aan kan worden gedaan. Ik sprak met de lezer van dat boek over die symbolische figuren, die roofvijand en die intuïtie uit de sprookjes en mythen. En ik zei: “Deze verhalen worden verteld op die verdieping onder aan de trap, de verdieping van de ziel. En daar vertellen we ook de christelijke verhalen. Die natuurlijke roofvijand noemen wij de duivel, Satan. En de kracht van de intuïtie noemen wij de Heilige Geest van God”.
Mijn gesprekspartner had het gevoel dat de toegang tot de verdieping ónder de vele gedachten en emoties, de toegang tot de ziel geblokkeerd was. Er moest als het ware puin geruimd. Toch bleek de trap makkelijker toegankelijk dan eerst werd gedacht. Als je maar weet dat de trap naar die ruimte er is. Het vraagt wat discipline; je moet je even durven losmaken van je normale manier van doen. Maar eenmaal met de rug naar de steeds herhaalde verhalen komt er snel diepgang in het gesprek. Ineens komt de herinnering op aan een bijna-dood-ervaring, die lang gelden een tijdlang zoveel energie gaf. En de herinnering aan momenten van troost, toen het opzetten van mooie muziek of een wandeling door de natuur de depressieve gevoelens langzaam deed oplossen. En de herinnering aan een ziekenzalving, die ineens zoveel rust bracht, en overgave.
Ik meen het echt, dat de figuren in sprookjes die de intuïtie en de wijsheid verbeelden, alles te maken hebben met de Geest van God. Oude sprookjes en mythen en de Bijbelse verhalen, ze zijn allemaal gemaakt als voedsel voor de ziel. Ze zijn bedoeld om positieve krachten in ons vrij te maken. Positieve krachten, die wij genade noemen, geschenken van Gods Geest aan ons. Op de verdieping van de herinneringen en de emoties willen we ons groot houden, alles begrijpen, alles de baas worden. Maar als we durven afdalen naar de laag van de ziel komen we erachter dat het wezenlijke ons geschonken wordt. Geloven in de Vader, de Zoon en de Geest; het is geloven in hun nabijheid, hun liefde, hun kracht.
In de bijbel hoorden we voorbeelden van dat geloof. Mozes sprak tot God: “Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig, maar vergeef toch onze misdaden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit”. En Jezus zei tegen Nicodemus: “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” Soms even je vele verhalen de rug toekeren en afdalen naar je ziel; je daar laten voeden, en dan terugkeren naar boven; dan langs de muren lopen, de ramen open zetten en diep de lente opsnuiven: dat lijkt me alles van doen te hebben met het eeuwige leven. Amen.