Dit is een curieus feest. Een feest met vele gezichten. Als we een kruisteken maken, is er geen probleem. We noemen God Vader, Zoon en heilige Geest - een zinvol aanvaard ritueel. Als we aan het eind van een psalm Gloria Patri zingen, is er evenmin een probleem. Het wordt problematisch als wij Gods binnenkant willen zeggen met filosofische termen. Dan wordt het iets als één goddelijke natuur en drie goddelijke personen. Dan wordt het plots heel vreemd en ingewikkeld. Dan wordt God een thema voor discussies en dat is zeker fout. Dan zitten we op een verkeerd spoor.
Kunnen we niet beter zeggen met Toon Hermans: “gewoon God”? God gewoon. God gewoon liefde. Dan zitten we op het juiste spoor. Liefde is immers altijd meervoud. Als God liefde is, is Hij God in triplo. Liefde draait niet om zichzelf. Dat is zelfs een interne tegenspraak. In de praktijk van ons dagelijkse bestaan is dat zonder meer evident. Liefde kan niet zonder een tegenover, zonder een partner. Liefde kan niet zonder vruchtbaarheid. Zo wordt liefde altijd een soort driehoeksverhouding. Steriel kijken naar elkaar is de dood van alles wat liefde heet. Dat weten we allemaal uit onszelf. Niemand valt daarover. Waarom zouden we dan vallen over God? Omdat Hij voor mensen ondanks al ons moeilijke spreken toch een intieme vreemde is? Daar gaat het om.
God is een intieme vreemde en daar hebben wij uiteindelijk geen woorden voor. Tot meer dan stamelen zijn wij niet in staat als wij Hem namen willen geven. Hij is en blijft altijd een intieme vreemde vriend van mensen. Al onze woorden, zelfs die van de grootste theologen, zijn peuterkreten. God is altijd kilometers groter dan onze woorden.
Toch staan we hier voor een dogmawoord. Zo is God. Hij is drievuldig. Hij vloeit over. Hij is overvloed. Op dat punt geloof ik liever in de mystici dan in de geleerden. Zij hebben meer geschouwd dan wij hebben uitgelegd. En zij hebben finaal gelijk. God is niet in hand-bereik en ook niet in woord-bereik. Hij gaat ons te boven terwijl Hij ons omarmt. Heilig geheim. Om er stil bij te worden en omzwijgend te aanbidden: amen.
Dat is uiteindelijk het grote punt. Kunnen wij aanbidden? Wij doen natuurlijk niets anders. De mens is een geboren aanbidder. Hij knielt altijd - voor God, voor godjes en voor afgodjes. Zonder het zelf te beseffen, is de mens een knielend wezen. Mag ik parafraseren op een oud lied van Wim Sonneveld: hij kon het (lonken), het knielen met laten?
Vanuit zijn onnoembare miserie ziet de mens op naar een mild en groot geheim. Hij wil worden gezegend vanuit een hemel zonder grenzen. Het is zeer, zeer groot hier nederig te zijn en lovend te belijden: eer aan de Vader door de Zoon in de Geest. Die formule bevalt me erg. Zoiets wil ik zingen. Zo staat God als een tent, als een driehoekstent over mijn leven heen gespannen. Voor mezelf ben ik ervan overtuigd dat God elke kniebuiging en elke hoofdbuiging waard is.
Eens zal deze nederigheid onze glorie zijn…