Overweging bij de eerste lezing (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit

We nemen de bijbel, en we lezen uit het Boek Exodus, het boek van de uittocht, over het volk Israël. Vanuit Egypte, dat angstland, het slavenbestaan, op weg door de woestijn naar het beloofde land. Hun tocht van veertig jaren vormt een spiegel voor ons eigen zoeken en vinden van de weg die we willen gaan. Het volk Israël is uit Egypte weggetrokken, op wonderbaarlijke wijze geholpen door een God, die ze tot dan toe niet kenden, maar die zich aan Mozes heeft geopenbaard als “Ik zal er zijn”.
Ze zijn nu in de woestijn, dat wil zeggen, midden in de problemen. Hoe moeten we verder met elkaar, door ontberingen en onzekerheid? Wat is het perspectief, waar komen we terecht?
Mozes gaat alleen een berg op, om God, die gezegd heeft “Ik zal er zijn”, een weg te vragen. Mozes komt terug met twee stenen, waarin, zoals het verhaal zegt, door de vinger van God, een leefregel is gegrift, 10 aanwijzingen, die, als ze nageleefd worden garant staan voor gemeenschapszin, solidariteit, rechtvaardigheid. Daarmee kom je met elkaar de woestijn wel door,daarmee heb je een kompas op je levensweg . Maar, bij zijn aankomst op de plek waar het volk gewacht heeft, ziet Mozes hoe het volk voor zichzelf een heel ander antwoord heeft bedacht op de grote vragen: ze hebben hun schaarse kostbaarheden bijeengelegd, en daarvan een gouden kalf gemaakt. Een zichtbare God, een god om te bewonderen. Dat beeld is het middelpunt geworden van de gemeenschap en staat symbool voor vitaliteit, kracht, toekomstige rijkdom, en weerspiegelt zo hun hoop en toeverlaat Mozes is geschokt: hij ziet meteen dat dit beeld, deze god zich niet laat rijmen met die leefregel van solidariteit en gerechtigheid. Aanbidding van dit kalf betekent: het recht van de sterkste, wie arm is heeft pech gehad, wie oud is heeft afgedaan. Dat staat diametraal tegenover die tien regels die “Ik zal er zijn” hem heeft meegegeven. Woedend smijt hij de stenen platen waarin die regels staan gegrift kapot, en vernietigt vervolgens ook dat gouden kalf. Beter helemaal geen god, dan deze antigod.
Maar Mozes komt tot bezinning. Hij realiseert zich dat het volk houvast nodig heeft. Een vage, onzichtbare God, die zegt dat Hij er zal zijn, maar wanneer, en hoe?, dat geeft te weinig houvast. Mensen willen zien, mensen willen kennen., willen zekerheid. Dat weten wij ook.: Ook wij zijn geneigd ons vast te klampen aan bezit en zekerheid. Ook wij raken gemakkelijk geïmponeerd door schoonheid, macht en beloftes voor de toekomst. Maar daarin is niet God. Dat vermoedt Mozes, en dat voelen wij. Mozes trekt zich weer terug. Om die vage God nog eens te ontmoeten. En hier begint onze lezing uit het boek Exodus.
Eerste lezing Exodus 33, 18 – 23 en 34, 4 – 10 en 34, 28b

Mensen zijn zoekers. Altijd op zoek naar geluk, naar waarheid, naar zekerheid, altijd op zoek naar zoiets als God. Mozes is zoals ieder. Hij zoekt waarheid, zekerheid over die God, die hij nog niet goed kent, die hij eigenlijk nog maar net ontdekt heeft, in het slavenhuis van Egypte.
Mozes vraagt of hij God mag zien, recht in het gezicht als het kan: Laat maar eens zien wie je bent, bewijs maar eens dat je met ons meegaat op deze onzekere tocht door de woestijn. Maar God zegt, en zo gaat Mozes ontdekken, dat God niet gezien kan worden. Want God in het gezicht zien, en op die manier zekerheid hebben over je leven, over je lot, dat is geen leven, dat is de dood. De dood is immers het enige wat zeker is. Leven is: onzekerheid, op weg gaan zonder te weten waar het eind is, hoe de weg zal zijn. Leven is keuzes maken, en het maakt wel uit wat je kiest. En daarvoor krijgt Mozes voor de tweede keer die leefregel, die 10 aanwijzingen die elk op zich zeggen: hou bij je keuzes rekening met je naasten; doe aan hen, wat je wilt dat aan jou gedaan wordt.
God gaat aan Mozes voorbij, uitroepend zijn naam “Ik zal er zijn”, en Hij voegt daar aan toe, als een nadere verduidelijking: Ik ben een genadige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw, die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die zonden vergeeft, en recht doet aan ontrechten. Mozes krijgt God niet te zien, of toch, even, een glimp van zijn achterkant.
Hiermee moet Mozes het doen, dit moet hij aan het volk vertellen: God zelf zullen we niet zien, maar hij heeft voor ons een leefregel in steen gegrift, of was het in ons hart, dat soms van steen is. En zijn achterkant, het spoor dat Hij achterlaat waar Hij voorbijkomt, dat kunnen we herkennen. Waar genade en medelijden, lankmoedigheid, liefde en trouw zijn, recht, en vergeving van zonden, daar is Hij voorbijgegaan. Daar was Hij, die zich noemt “Ik zal er zijn”.
Leven met die naam, en met die leefregel maakt het ook voor ons mogelijk om God te kennen en te herkennen, in elkaar en in onszelf: als we kiezen om te zijn zoals Hij.

Zoeken in Preken Online