We nemen de bijbel, en we lezen uit het Boek Exodus, het boek van de
uittocht, over het volk Israël. Vanuit Egypte, dat angstland, het
slavenbestaan, op weg door de woestijn naar het beloofde land. Hun
tocht van veertig jaren vormt een spiegel voor ons eigen zoeken en
vinden van de weg die we willen gaan.
Het volk Israël is uit Egypte weggetrokken, op wonderbaarlijke wijze
geholpen door een God, die ze tot dan toe niet kenden, maar die zich
aan Mozes heeft geopenbaard als “Ik zal er zijn”.
Ze zijn nu in de woestijn, dat wil zeggen, midden in de problemen. Hoe
moeten we verder met elkaar, door ontberingen en onzekerheid? Wat is
het perspectief, waar komen we terecht?
Mozes gaat alleen een berg op, om God, die gezegd heeft “Ik zal er
zijn”, een weg te vragen. Mozes komt terug met twee stenen, waarin,
zoals het verhaal zegt, door de vinger van God, een leefregel is
gegrift, 10 aanwijzingen, die, als ze nageleefd worden garant staan
voor gemeenschapszin, solidariteit, rechtvaardigheid. Daarmee kom je
met elkaar de woestijn wel door,daarmee heb je een kompas op je
levensweg .
Maar, bij zijn aankomst op de plek waar het volk gewacht heeft, ziet
Mozes hoe het volk voor zichzelf een heel ander antwoord heeft bedacht
op de grote vragen: ze hebben hun schaarse kostbaarheden bijeengelegd,
en daarvan een gouden kalf gemaakt. Een zichtbare God, een god om te
bewonderen. Dat beeld is het middelpunt geworden van de gemeenschap en
staat symbool voor vitaliteit, kracht, toekomstige rijkdom, en
weerspiegelt zo hun hoop en toeverlaat Mozes is geschokt: hij ziet
meteen dat dit beeld, deze god zich niet laat rijmen met die leefregel
van solidariteit en gerechtigheid. Aanbidding van dit kalf betekent:
het recht van de sterkste, wie arm is heeft pech gehad, wie oud is
heeft afgedaan. Dat staat diametraal tegenover die tien regels die “Ik
zal er zijn” hem heeft meegegeven. Woedend smijt hij de stenen platen
waarin die regels staan gegrift kapot, en vernietigt vervolgens ook dat
gouden kalf. Beter helemaal geen god, dan deze antigod.
Maar Mozes komt tot bezinning. Hij realiseert zich dat het volk houvast
nodig heeft. Een vage, onzichtbare God, die zegt dat Hij er zal zijn,
maar wanneer, en hoe?, dat geeft te weinig houvast. Mensen willen zien,
mensen willen kennen., willen zekerheid. Dat weten wij ook.: Ook wij
zijn geneigd ons vast te klampen aan bezit en zekerheid. Ook wij raken
gemakkelijk geïmponeerd door schoonheid, macht en beloftes voor de
toekomst. Maar daarin is niet God. Dat vermoedt Mozes, en dat voelen
wij.
Mozes trekt zich weer terug. Om die vage God nog eens te ontmoeten. En
hier begint onze lezing uit het boek Exodus.
Eerste lezing Exodus 33, 18 – 23 en 34, 4 – 10 en 34, 28b
Mensen zijn zoekers. Altijd op zoek naar geluk, naar waarheid, naar
zekerheid, altijd op zoek naar zoiets als God. Mozes is zoals ieder.
Hij zoekt waarheid, zekerheid over die God, die hij nog niet goed kent,
die hij eigenlijk nog maar net ontdekt heeft, in het slavenhuis van
Egypte.
Mozes vraagt of hij God mag zien, recht in het gezicht als het kan:
Laat maar eens zien wie je bent, bewijs maar eens dat je met ons
meegaat op deze onzekere tocht door de woestijn.
Maar God zegt, en zo gaat Mozes ontdekken, dat God niet gezien kan
worden. Want God in het gezicht zien, en op die manier zekerheid hebben
over je leven, over je lot, dat is geen leven, dat is de dood. De dood
is immers het enige wat zeker is. Leven is: onzekerheid, op weg gaan
zonder te weten waar het eind is, hoe de weg zal zijn. Leven is keuzes
maken, en het maakt wel uit wat je kiest. En daarvoor krijgt Mozes voor
de tweede keer die leefregel, die 10 aanwijzingen die elk op zich
zeggen: hou bij je keuzes rekening met je naasten; doe aan hen, wat je
wilt dat aan jou gedaan wordt.
God gaat aan Mozes voorbij, uitroepend zijn naam “Ik zal er zijn”, en
Hij voegt daar aan toe, als een nadere verduidelijking: Ik ben een
genadige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw, die
goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die zonden vergeeft,
en recht doet aan ontrechten. Mozes krijgt God niet te zien, of toch,
even, een glimp van zijn achterkant.
Hiermee moet Mozes het doen, dit moet hij aan het volk vertellen: God
zelf zullen we niet zien, maar hij heeft voor ons een leefregel in
steen gegrift, of was het in ons hart, dat soms van steen is. En zijn
achterkant, het spoor dat Hij achterlaat waar Hij voorbijkomt, dat
kunnen we herkennen. Waar genade en medelijden, lankmoedigheid, liefde
en trouw zijn, recht, en vergeving van zonden, daar is Hij
voorbijgegaan. Daar was Hij, die zich noemt “Ik zal er zijn”.
Leven met die naam, en met die leefregel maakt het ook voor ons
mogelijk om God te kennen en te herkennen, in elkaar en in onszelf: als
we kiezen om te zijn zoals Hij.
Overweging bij de eerste lezing (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit