Nicodemus is een vrome Jood.
Hij is altijd op zoek.
Op zoek naar een spoor van God.
Nu heeft hij iets wonderlijks gehoord.
Hij heeft gehoord dat Jesus zichzelf de zoon van God noemt.
Hij noemt God zijn Vader.
Hij kan er niet van slapen.
Dat is toch ongehoord.
Hij trekt de stoute schoenen aan
en gaat naar Jesus om met hem te praten.
Johannes plaatst dit gesprek in de nacht.
Veel betekenend.
De ogen van Nicodemus zijn immers gesloten.
Want Jesus is iets bijzonders.
Maar er is iets meer.
En dat laat Jesus aan Nicodemus merken.
Hij is inderdaad de zoon van God.
Zelfs als ik kijk naar de mens Jesus
naar de manier waarop hij spreekt
waarop hij met mensen omgaat
dan zie ik Jesus als een onafhankelijke persoon
barmhartig en liefdevol.
Al kijkend en mediterend over Jesus
wordt mij iets duidelijk wie God is.
Er is iets in hem dat al het menselijke overstijgt.
Het is het geheim van God dat ons toestraalt.
In deze mens ontmoet ik God.
Op een unieke manier openbaart zich hier God.
Deze mens is de zoon van God.
In de eerste eeuwen van het christendom hebben
griekse en latijnse kerkvaders daarin hun geloof uitgesproken.
Jesus is degene die God een menselijk gezicht geeft.
Wanneer God een beetje uit ons leven verdwijnt
dan is er Jesus die hem doet stralen als een menselijke God.
Die ruimte geeft en liefde schenkt.
Jesus is degene die ons duidelijk maakt dat God liefde is.
Jesus maakt mij ook duidelijk dat er in ieder mens iets van God te vinden is.
In ieder mens is een goede kern.
Ieder mens heeft iets van God in zich.
Buitenlanders, asielzoekers en alle mensen die niet beantwoorden aan mijn denkbeelden
in al die mensen is iets van God aanwezig.
Wanneer ik dat durf te accepteren
dan leef ik in de geest van Jesus.
Dan is zijn Geest in ons midden.
Overweging bij de tweede lezing (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit