We lezen in onze Johannestekst een van zijn latere reflecties op wat er de laatste avond voor Jezus’ arrestatie met hen gebeurd was. Wat er gebeurde was uiterst eenvoudig. Als het maal, waarin ze de eerdere uittocht uit Egypte herdenken, gedaan is, neemt hij er de resten van die voor hem op tafel liggen, wat brood en wat wijn. Ze kijken allemaal in spanning toe. Hoewel ze niet precies weten wat er aan de hand is, zijn er door hem al wel zoveel toespelingen gemaakt op verraad, een afscheid, lijden en dood, dat ze weten dat er iets heel beslissends gaat gebeuren. Hij neemt het brood, breekt het en zegt terwijl hij hen uitnodigt om dat brood en die wijn rond te laten gaan: dit is mijn lichaam, dat voor jullie is gebroken; en dit is mijn bloed, dat voor jullie vergoten zal worden. Hij voegt er aan toe: ‘Doe dit als je je mij wilt herinneren. Doe dit tot mijn gedachtenis.'
Dat doen we dan ook. We vieren zijn gedachtenis tijdens het bijwonen van de broodbreking, die door een priester meestal in een kerk voor ons gedaan wordt. Vaak hebben we er een boekje bij in de hand, zodat we kunnen lezen wat er gebeden en voorgelezen wordt.
Zo is die gedachtenis aan hem geïsoleerd, vervreemd en vervreemdend, op zichzelf komen staan. Want dat is alles wat we dan doen: hem in dat breken van het brood (dat meestal niet eens op brood lijkt!) herdenken. Geen wonder dat dit voor velen heel erg moeilijk geworden is. En dat om verschillende redenen. De Britse psychiater Jack Dominian, de schrijver van een hele reeks boeken over het christen zijn in onze dagen, geeft deze reden: ‘Vanaf het moment dat ze een kerk binnengaan voelen velen zich als mens klein gemaakt, en dat gepaard met het vage gevoel dat het de belangrijkere voorganger is, die de band legt tussen hen en God. Deze combinatie van kleinering, passiviteit, en hulpeloosheid gaat niet samen met het groeiende bewustzijn van eigen competentie, vaardigheid, wetenschap en macht in de huidige man en vrouw.’ Een opvallend aangeklede priester staat wat hoger dan alle anderen, de gelovigen knielen in nog steeds vaak onhandige, wat lager staande banken; er is er één die het woord neemt, heeft en houdt. Brood en wijn zijn nauwelijks, en het brood meestal niet eens herkenbaar, aanwezig. Wie kan zich in zo’n situatie eigenlijk nog thuis voelen? Dat is niet eens de voornaamste moeilijkheid. Was het wel ooit Jezus’ bedoeling om zo gevierd te worden? Gaf hij daar zijn leven voor? Vergoot hij daar zijn bloed voor? Werd hij daarvoor geëxecuteerd? Is het zo dat hij ons vraagt hem en alles waar hij voor staat te gedenken? Is dat de opdracht die hij ons achterliet?
Als Jezus dat brood neemt en die kelk pakt, denkt hij, zoals hij zelf zegt, aan wat er zal gaan gebeuren met hem. Hij plaatst zijn lichaam dat gebroken, en zijn bloed dat vergoten gaat worden, in de context die hij aan Johannes de doper al duidelijk had proberen te maken. Het gaat om genezing, een nieuwe mens en een nieuwe wereld: blinden zien, lammen lopen, doven horen! Hij is degene die niet alleen hongert en dorst naar vrede en rechtvaardigheid, naar wat hij zelf het koninkrijk van God noemt, maar die daar ook zijn leven voor inzet.
Als hij aan ons zegt: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’, gaat het hem er niet alleen maar om ons gezamenlijk breken van dat brood, en drinken van die wijn. Het is niet alleen zaak om hem in ons midden te hebben. Het gaat om veel meer. Het gaat om ons deelhebben aan het brengen van het nieuwe leven, dat hij kwam brengen. Of om het te zeggen in de woorden van de grote theologische nestor in onze Lage Landen, Edward Schillebeeckx: ‘Het sacrament van het laatste avondmaal is het genezen van lichamen en geesten, het herstellen van gebroken menselijke relaties, het elimineren van sociale onrechtvaardigheid en ongelijkheid, het werken aan vrede onder de mensen, het arbeiden aan het nieuwe gemeenschappelijke leven, dat onder ons geschapen werd toen Jezus zei, dat God onze vader is en dat wij daarom broers en zussen zijn’ (Jezus, het verhaal van een levende). Dat was in 1975. Sindsdien weten we dat we zelfs het brood, de wijn en het water, die we bij de gedachtenis aan hem en aan zijn lichaam en bloed gebruiken, dienen te respecteren als vrienden en tochtgenoten inclusief hun eigen rechten…