Iedereen die ouder is dan een jaar of zestig heeft nog wel herinneringen aan Sacramentsdag: plechtige processies, een ingetogen fanfare, en de monstrans onder het baldakijn omgeven door witte bruidjes, werd naar het rustaltaar gebracht: ‘Knielt christenschaar voor ‘t zoenaltaar, uw God is daar…'.
Het was een stukje fraai geloofsleven van toen dat mensen destijds goed heeft gedaan, gesterkt en getroost. Devotionele geloofsbeleving, die bij deze of gene gevoelens van heimwee oproept. Maar met heimwee voed je geen levend geloof en vroomheid van toen is geen antwoord op de vragen van nu.
Er is veel veranderd rondom dat heilig altaarsacrament. Het rijk versierde hoogaltaar is bijna overal achtergrond geworden en een bescheiden, veelal houten altaartafel is het liturgisch centrum geworden. We komen samen rondom woord en tafel. We spreken van breken en delen. We blijven niet meer nuchter voor de communie, we zijn er wel nuchterder over gaan denken. En intussen is dit veel duidelijker geworden: toen en nu bestond en bestaat het gevaar de eucharistie te maken tot een heilig spel, ergens aan de rand van het leven en er niet midden in.
In de eucharistie zou keer op keer duidelijk moeten worden wat we in onze gewone doen zo makkelijk vergeten. Daar wordt immers nog lang niet altijd ons brood, ons leven echt gedeeld met anderen.
Te lang lijkt de eucharistie zélf verstaan als het summum van christen-zijn. Maar het leven is de plek waar het christen-zijn moet gebeuren. Niet in processies moet Hij worden meegedragen, maar in ons hart, in het leven van alledag. Als de viering is afgelopen begint de dienst pas, de dienst aan elkaar. ‘Ite missa est’ zongen we vroeger aan het eind: ‘Ga, uw zending begint nu…’. En sommigen hebben dat altijd al begrepen: ‘Zolang je vrouw ziek is, breng je de was maar hij ons…’. En negen weken lang kwam de was gewassen en gestreken terug.
Toen zijn dochter thuiskwam met een vriend die hem niet zinde en hij maar onplezierig tegen hem bleef doen, zei zijn vrouw op een goeie dag: ‘Ik heb jou indertijd ook zelf gekozen, ik had misschien ook een betere kunnen krijgen, maar het was mijn eigen keus… Je houdt dus op met je gedonder. Hij is hier welkom, af uit'.
Zijn broer zat ergens alleen in Amsterdam hopeloos met zichzelf omhoog. Het was al heel laat toen hij nog belde om met iemand te kunnen praten. Toen de broer aan deze kant van de lijn de hoorn met een zucht neerlegde, vroeg zijn vrouw: ‘Piet, wat zou je doen als het je kind was?’. ‘Dan ging ik er nu nog heen’, zei hij. ‘Hier is je jas’, zei ze, ‘pak je auto en maak dat je wegkomt. Ik bel dat je eraan komt'.
Als de viering rondom Hem die zich gaf en geeft aan mensen voorbij is, begint de dienst pas. Gevoed door Hem, zijn woord, zijn boek, zijn brood en beker, zijn lichaam en bloed, kunnen wij en dienen wij elkaar te voeden, te sterken, te bemoedigen.
Eerbied voor het ‘sacrament des altaars’ blijkt uit onze eerbied voor mensen. Zo brengen wij eer aan God, zo dragen wij Hem naar buiten die wij hier binnen gelovig aanwezig weten…