Het is Sacramentsdag, blij feest van Jezus’ aanwezigheid onder de mensen. Kinderen ontvangen Hem voor het eerst en hun onbevangen kleine ziel trilt van heilige blijdschap. De jeugd ontvangt Hem en vecht met zijn radicale eisen. Hij was iemand die altijd de waarheid zei, over de wereld en over zichzelf. Mannen en vrouwen ontvangen Hem en luisteren naar wat Hij zegt over de strijd van dit leven en over het ware, toekomstige, eeuwige leven.
Oudere mensen ontvangen Hem en spreken Hem over hun dagen en nachten, vergetend dat Hij maar dertig jaar was toen Hij voor allen zijn leven gaf en stierf. De zieken jubelen mee en de stervenden richten zich op: Jezus komt tot hen en doet hen leven. Ze weten dat Hij voor altijd leeft.
Het is blij feest voor iedereen en in het hart van het feest, leeft in heel de Kerk de dank aan God, en stuwt opnieuw de drang om Gods Brood mee te delen voor dit leven en voor het eeuwige. Jezus leeft, verrezen overwinnaar van de dood. De christenen weten dat ook zij moeten overwinnen, dat niet alleen een herinnering aan goede dagen, niet alleen een land of een volk, niet alleen een taal van dichters en schrijvers, niet alleen de mythen en de dromen, niet alleen de hoop van de revoluties, maar dat zijzelf eeuwig moeten voortleven, in Christus zullen voortleven.
Natuurlijk “geraakten de joden aan het twisten” over wat Jezus zei: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Wie dit Brood eet, zal in eeuwigheid leven”.
Over het eeuwig leven twist iedereen. Iedereen beleeft een dag waarop het voor hem of haar gedaan mag zijn, omdat er niets meer schijnt te leven, maar dat bewijst juist dat iedereen wil leven, goed en gelukkig leven dan, en als goed en gelukkig leven weer mogelijk wordt, mag het altijd, eeuwig blijven duren. Eigenlijk beleeft iedereen een dag, waarop de dood in zijn leven, in haar leven voor goed gedaan mag zijn, wat uitzichtloos is en tot wanhoop brengt, voor altijd ongedaan gemaakt mag worden.
Twisten over eeuwig leven is twisten over het blijvend geluk, over de mogelijkheid het Manna te vinden, “niet zoals de vaderen, die het manna gegeten hebben en niettemin gestorven zijn”, afscheid te nemen maar niet voor goed, te winnen door te verliezen, de schijn te zien wijken voor de waarheid, als graankorrel te sterven en weten zelf de vrucht te zullen zien, het einde van het genieten te bezweren, het manna te verzamelen voor elke dag en aan anderen te wijzen waar hun deel ligt. Hierover twistten de joden onder elkaar, hierover twisten nog alle mensen onder elkaar en altijd zullen ze hierover blijven twisten.
Jezus die zijn vlees en bloed geeft, als eeuwig dagelijks manna, twist niet over die mogelijkheid. Hij is de werkelijkheid, de eeuwige, dagelijkse, werkelijke tegenwoordigheid, Hij geeft zijn vlees en bloed, als eeuwig dagelijks werkelijk manna. Hij zal niet voorgoed afscheid nemen, Hij zal winnen door te verliezen, Hij is de Waarheid in wie geen schijn van schijn is. Als graankorrel zal Hij sterven en zelf zal Hij de vruchten zien in allen die in Hem geloven. Hij twist niet, maar leert bidden: “Geef ons heden ons dagelijks Brood”.
Als de kinderen bij hun eerste Communie, als de jeugd die Christus begint te ontvangen, als mannen en vrouwen die met Hem strijden, als ouderen die met Hem de herinneringen oproepen, als zieken en stervenden op Sacramentsdag met Hem neuriën en zingen over “eeuwig leven”, over hún “eeuwig leven” met Hem, is het omdat ze bij koek en armenbrood, aan arme en aan rijke tafelen, zich reeds genodigd weten aan zijn feesttafel, waar de lampen voor altijd blijven branden…