‘Niet ieder die tot mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het koninkrijk der hemelen, maar zij die de wil doen van mijn Vader die in de hemel is.’ Op het eerste gehoor gaat het bij deze tekst over de verhouding woord en daad. Het is niet voldoende om ‘Heer, Heer!’ te zeggen, je moet ook de handen uitje mouwen steken en aan de slag gaan. Jezus noemt dan een stel activiteiten waar het ook niet om gaat: profeteren, duivels uitdrijven en wonderen doen in zijn naam. Wat meer zou je van iemand kunnen verlangen? Waar gaat het dan wel om? Het tekstfragment dat we hier in onze zondagslezing voor ons hebben, geeft daar geen antwoord op. Het blijft allemaal wat in de lucht hangen. Dat komt omdat Matteüs in zijn evangelie al eerder zijn antwoord op die vraag gegeven heeft. Hij deed dat toen hij enkele hoofdstukken eerder Jezus op laat merken dat het hem om een ‘doen van rechtvaardigheid’ (dikaiosunê) gaat dat groter is dan het naleven van een stel wetten (5,18-19). Dit ‘doen van rechtvaardig¬heid’ is de enige manier om in het koninkrijk van God te geraken.
Het gaat Jezus om rechtvaardigheid in deze wereld. Het is op die rechtvaardigheid dat het rijk van God gebouwd is. Die reorganisatie is de sine qua non om de hemel binnen te komen.
Matteüs maakt dat wat later in zijn evangelie duidelijk wanneer hij het verhaal vertelt over de rijke jonge man, die bij Jezus met bijna dezelfde vraag aankomt: ‘Wat moet ik doen om volmaakt te zijn?’ Een directe vraag, waar alleen maar een direct antwoord op gegeven kan worden. Het soort antwoord waar die vraag om vroeg. Dat antwoord is niet dat hij moet gaan preken of wonderen doen. Hij moet zijn spullen gaan verkopen en ze verdelen onder de armen (9,21).
Een van de allereerste woorden die Matteüs in Jezus’ mond legt is dat woord ‘rechtvaardigheid’. Hij doet dat als hij tegen Johannes de doper zegt dat hij kwam om ‘alle rechtvaardigheid (diakosunê) tot vervulling te brengen.'
Er schuilt achter dit alles een goddelijke logica. Een logica die te maken heeft met de schepping. Het is dezelfde logica die we in veel van paus Johannes Paulus II’s encyclieken aantreffen. ‘De goederen in deze wereld komen niet aan een kleine élite toe, ze werden ons gegeven voor de gehele mensheid.’ Het is een rechtvaardigheid die Jezus ons niet afdwingt. Dat is duidelijk in het verhaal over de rijke jonge man. Als die teleurgesteld Jezus verlaat omdat hij te rijk was om zo alles maar af te kunnen geven, kijkt Jezus hem vol liefde aan.
Ook de paus kan ons niet dwingen. Zelf is hij niet eens trouw aan wat hij in dit verband voorstelt. In een van die brieven (Sollicitudo Rei Socialis uit 1987) stelt hij dat de kerk haar kunstschatten dient te verkopen om de armen te helpen. Hij heeft het ofwel nooit helemaal gemeend, of hij heeft er zijn Vaticaanse entourage nog steeds niet van kunnen overtuigen.
Het doen van rechtvaardigheid is niet alleen maar een voorwaarde om het koninkrijk van God binnen te komen. Het is ook dé voorwaarde voor een goed menselijk bestaan. In ons hart weten we dat allemaal. Jezus herinnert ons er aan in zijn verhaal over dat huis dat gebouwd was op zand. Het zag er eventjes heel goed uit. Het leek heel wat. Totdat de storm opstak en het begon te donderen en te bliksemen. Binnen de kortste tijd was het hele huis op drift ge-raakt. Het donderde met geweld in elkaar omdat het op niets gebouwd was, op wat losse grond.
Om het in ons gezamenlijke menselijke huis samen uit te kunnen houden zullen we ons huis moeten bouwen op de door God gewilde rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid die Jezus onder ons kwam herstellen. Zonder dat herstel kunnen we wel godsdienstig bezig zijn, zelfs wonderen verrichten en duivels uitdrijven, maar het koninkrijk Gods zal ons hier blijven ontsnappen. Ons huis is gebouwd op wat los zand…