In ieder gezin zijn wetten, afspraken en voorschriften. Zo laat eten we; zo laat moet je thuis zijn; geen boeken op de stoel leggen; speelgoed opruimen; om de beurt de vaat doen; en als vader moet werken de radio wat zachter.
In ieder gezin zijn deze afspraken maar al te dikwijls aanleiding tot ruzie en conflicten. Kinderen vinden het dan onzin, en vader en moeder vinden dat het gebeuren moet zoals zij het willen. De kinderen hebben gelijk als het de ouders alleen maar gaat om hun gezag en hun macht. De ouders hebben gelijk als ze zeggen: als we ons daaraan niet houden, wordt het een grote rommel. Toch zijn deze ruzies bespreekbaar en oplosbaar. Niet op het moment van de ruzie zelf, maar als de wolken wat zijn weggetrokken. Want ouders en kinderen zullen het erover eens zijn dat een goede sfeer thuis een ontzettend groot goed is. Dat geeft geborgenheid, bescherming, gezelligheid en hartelijkheid. En juist vanwege die saamhorigheid en gezelligheid en geborgenheid werden die afspraken gemaakt. En als je weet dat alle regels en alle afspraken dat tot doel hebben, zul je je aan die regels houden, ook als het jou persoonlijk wel eens niet goed uitkomt. Maar als je je blind staart op die wetten, als je niet ziet waar ze voor zijn, worden ze een last die steeds zwaarder gaat drukken.
Zo was het ook in Israël. In een tijd dat iedereen een ander hard nodig had, zijn er afspraken gemaakt van dienstbetoon en hulpvaardigheid. Ze spraken af dat men om de zeven jaar schoon schip zou maken en alle schulden zou vereffenen of kwijtschelden; Ze spraken af dat ze tien procent van hun bezit zouden afstaan aan behoeftigen; ze spraken zelfs af dat ze op reis een schopje zouden meenemen om, als ze hun behoefte moesten doen, dat te begraven met de bedoeling anderen niet tot last te zijn. Het waren wetten en afspraken om de goede geest te bewaren.
Zo is het ook met ons. Er is een heel ideale tijd geweest voor de christenen toen Jezus nog in hun midden was. Heel vanzelfsprekend en zelfs graag maakte men afspraken. Hun ja zou ja zijn, daar kon je van op aan. Hun vrouw of man zouden ze niet in de steek laten, daar kon je zeker van zijn. Als iemand hen zou slaan, zouden ze niet terugmeppen: dat beloofden ze. Als iemand vroeg één mijl mee te lopen, zouden ze er twee meelopen. Als een ander wat vroeg, zouden ze het doen. En er zou geen noodlijdende zijn, daar zouden ze voor zorgen. En iedere week op de eerste dag zouden ze samenkomen om over deze dingen te denken en te zien of alles goed ging en om de Heer te gedenken. Alles ging heel vanzelfsprekend en ze deden het graag.
Maar nu zijn wij een paar eeuwen verder. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat we ons blind staren op wetten en voorschriften, en niet meer zien dat het eigenlijk om heel vanzelfsprekende dingen gaat. Dat wij die voorschriften gaan zien als een last. En dan zitten we fout. Want al die wetten en woorden van de Heer hebben maar één doel: ervoor te zorgen dat er onder ons een goede geest heerst, dat we ons werk met plezier en toewijding doen, dat we het elkaar plezierig maken, en dat er in ons huis de geest van het evangelie heerst.
En het is daarom dat wij vandaag aandacht hieraan besteden, in deze viering. Want niet ieder die zegt: Heer, Heer, maar die de wil doet van de Vader…