7e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 7e zondag · groen

Zondag na zondag dringt Jezus’ leer door tot in hart en nieren. Hij onderricht ons verder vooraleer ons weer aan zijn tafel te nodigen. Zijn leer geeft ons licht en zijn tafel geeft ons kracht. Het is het licht en de kracht van zijn leven, van zijn liefde en zijn offer, gespreid over heel de tijd van zijn optreden, vanaf het ogenblik van de bergrede bij de aanvang tot aan de uiteindelijke zelfgave. Hij spreidt zijn tafel niet met spijzen door anderen betaald, Hij ontvangt niet in een huis dat een ander bouwde. Hij geeft zichzelf tot spijs en Hij is zelf het levend bouwwerk waar Hij allen verzamelt. De Kerk die wij zijn is zijn mystiek lichaam.

Vandaag leert Hij ons hoe het oude gebod: “Oog om oog, tand om tand” moet gelezen worden. Hij leert ons Exodus en ook Leviticus lezen en leest ons ook wat de levieten. In Leviticus heette het reeds: “Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Bemin uw naaste als uzelf”. We hoorden verleden zondag verbijsterd hoe dat gebod in Jezus’ tijd was uitgebreid met een bevel om de vijand te haten.

Reeds vroeg staat in de Schriften dat willekeur in de rechtspraak uit den boze is: niet méér straf dan verdiend, zoals voor uzelf, zo voor de anderen, recht tussen buren en buurvolkeren, gebaseerd op de waardigheid van de mens, op de gelijkwaardigheid van allen, van gerechten en ongerechten, van vriend en vijand. Tot zover het Oude Testament. Maar is het Oude Testament niet Gods Testament? Is het niet volmaakt?

De Wet houdt niet alleen het recht voor. Zij leert er ook de oorsprong en de zin van. De oorsprong is God en de zin is liefde.

Leviticus schrijft: “Bemin uw naaste als uzelf”. En: “Ik ben Jahwe”, dit is: “Ik bende Heer”, “Ik ben de God die u uit Egypte verlost heeft”. Als Ik, Jahwe, de Heer, u uit Egypte verlost heb, als Ik met u meegetrokken ben door de woestijn, verlos dan ook uw broeder die in nood is, trek met hem mee door de woestijn, door zijn woestijn. Ik was tot niets verplicht en Ik heb u met genaden overstelpt. Doe gij evenzo met uw naaste.

Ik sta aan de oorsprong van het recht. Daarom geef Ik u het gebod: “Oog om oog, tand om tand”. Eis niet meer dan een oog om een oog en niet meer dan een tand om een tand. Spreek recht met billijkheid, niet willekeurig.

Maar Ik sta ook aan de oorsprong van de liefde. Ik ben liefde.
Ik ben Jahwe, die u uit liefde heb verlost. Zo weet ge dat Ik uw Heer ben en weet ge ook hoe Ik uw Heer ben. Wilt ge doorheen mijn gebod Mijzelf ontdekken, denk dan meer aan de liefde dan aan uw recht. “Als gij uw oogst van het land haalt, maai dan uw akker niet af tot de rand en raap niet bijeen wat is blijven liggen. Houd in uw wijngaard geen nalezing en raap de afgevallen druiven niet bijeen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling”. Wie alleen aan zijn recht denkt en nooit aan de liefde, hem smaken zelfs zijn overrijpe druiven zuur.

“Ik ben Jahwe uw God”, die u, arme en vreemdeling, uit Egypte verlost heb, door de woestijn geleid heb, naar het beloofde land gebracht heb, “dat overvloeit van melk en honing”. Hadt gij Mij niet verworpen? Hadt gij geen gouden kalf opgericht? Heb Ik “oog om oog en tand om tand” toegepast? Ik had het toch kunnen doen. Ik had er toch het recht toe.

Maar Ik heb het niet gedaan. Ik heb u ook de andere wang toegekeerd. Ik heb u ook het bovenkleed gelaten. Ik ben twee mijl met u gegaan. Ik ben Jahwe uw Heer, uw God gebleven. Ik heb niet aan mijn recht gedacht.

Wat voegt de bergrede hieraan toe? Geen jota of geen haaltje. Alleen heeft Jezus de volmaakte Wet volmaakt onderhouden. Hij heeft niet aan zijn recht gedacht maar aan de liefde.

Zoeken in Preken Online