‘Oog om oog, tand om tand’, dat was ten tijde van Jezus de gedragsregel van het Joodse volk. De stelregel stond in de wet van Mozes, (Ex. 21,24) en was bedoeld om het kwaad binnen bepaalde grenzen te houden. Als iemand onrecht werd aangedaan, mocht hij in geen geval de andere meer wegnemen of aandoen, dan hem was aangedaan. De gedragscode ‘zoals jij mij, zo ik jou’, moet dus als een beperking van de vergelding gezien worden. Als deze vergelding gebeurd was, moest de zaak ook werkelijk beslecht zijn. Eigenlijk hanteren wij nog dijwijls die gedragsregel. Niet zozeer in de bloedige letterlijke zin van ‘oog om oog’, maar toch wel een wat verfijnde vorm van vergelding in het dagelijks leven. Hij heeft mij niet bezocht toen ik ziek was, ik doe het nu ook niet. Hij heeft mij bij mijn verjaardag geen cadeautje gegeven, nu krijgt hij ook niets van mij. Hij heeft geen partij willen trekken voor mij, ik doe het nu ook niet voor hem.
Deze stelregel staat eigenlijk al een heel stuk boven de mentaliteit van Kaïn, die zijn onschuldige broer doodt; de mentaliteit van Lamech, die sprak: word ik gewond dan dood ik een man, krijg ik een schram dan neem ik een kind, en werd Kam zevenvoudig gewroken, Lamech zeventigvoudig. Dat is een verschrikkelijke men-taliteit die ook nog in ons midden leeft en die men telkens weer in de politiek tot gelding wil laten komen.
Maar van christenen vraagt Jezus nog veel meer dan Mozes vroeg van de Joden: dan alleen ‘oog om oog, tand om tand’. Een christen moet totaal anders handelen dan een niet-christen. Daarom zegt Jezus ook heel uitdrukkelijk: Ik zeg u echter! Jezus weet dat Hij van ons veel meer vraagt als Hij zegt: ‘bied geen weerstand aan het onrecht, en als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe’. Iemand kun je alleen op de rechterwang slaan als je hem met de rug van je eigen hand slaat, een teken van diepste verachting. Natuurlijk denken wij dan spontaan aan Jezus voor de Hoge Raad, waar Hij zich toch ook weert tegen de kaakslag die Hem wordt toegebracht. Onrecht blijft onrecht, ook in de ogen van de leerlingen van Jezus. Maar wij mogen aan het kwaad geen nieuw kwaad toevoegen. Jezus wil de tegenstander ontwapenen door hem goed te doen in plaats van kwaad.
En Jezus gaat in zijn oproep nog verder: het is niet voldoende om onrecht eenvoudig te verdragen; het is niet voldoende het onrecht te ontwijken. Je moet ook nog stappen zetten in de richting van je tegenstander, opdat er steeds minder van de vijandschap overblijft.
Een leerling van Jezus mag niet meedoen met, kwaad met kwaad te vergelden. Als zijn tegenstander hem het hemd vraagt, geeft hij nog de jas erbij; hij gaat ééns zover mee als hem gevraagd wordt, en als iemand van hem wil lenen wendt hij zich niet af. Dat wil niet zeggen dat wij eenvoudigweg alle spanningen uit de weg moeten gaan. Ik moet daarom niet minder uitkomen voor recht en gerechtigheid, maar bewust zoeken naar datgene wat de vrede dient.
Overal in onze wereld tref je bikkelharde tegenstellingen aan. Mensen voelen zich tekort gedaan en dan gaan ze het recht maar in eigen hand nemen. Als er geen uitzicht is op een woning, dan maar kraken. Als de politie niet optreedt, dan maar knokploegen. Als praten niets uithaalt, dan maar harde acties. Geweld tegenover geweld. In westerns en politieseries op de televisie is dat nog spannend amusement, maar in het dagelijkse leven wordt het dikwijls bloedige ernst. En helemaal monsterachtig wordt het, als wij ervan maken: raketten tegenover raketten, atoombommen tegenover atoombommen.
In de bergrede klinkt een ander geluid: doorbreek dat gedragspatroon, want zo kom je niet verder. Begin maar te geven, zonder angst zelf tekort te komen. Laat los die hang om jezelf waar te maken door met gelijke munt te betalen. Wanneer iemand bereid is de eerste stap te doen en als derste royaal over de brug te komen, zullen we de spiraal van het geweld nooit kunnen doorbreken. Nee, wij moeten in alle mensen, zelfs in onze wijanden, onze naasten leren zien en bij onze omgang met onze medemensen onze zelfzucht leren afleggen. Alleen zo kunnen wij komen tot een gelukkiger samenleving.
Maar dat is de wijsheid van God en die staat vaak in een scherp contrast met de wijsheid van de wereld. Het is heel gemakkelijk daarover te preken, maar iedereen die eerlijk is met zichzelf weet hoeveel Jezus hier van ons vraagt. Wij hebben toch allemaal wel eens te doen met kleine of grote vijanden. Wij proberen het wel, maar ik denk dat wij het nooit zouden klaarspelen om tot deze ontwapende houding van weerloosheid te komen, om te komen tot het liefhebben van onze vijanden, als Jezus niet gewezen zou hebben op de houding van zijn Vader zelf. ‘Opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die de zon laat opgaan over slechten en goeden, en het laat regenen over rechtvaardigen en zondaars’. Als God echt mijn Vader is, als ik echt zijn kind wil zijn, dan kan ik het mij niet veroorloven ook maar één mens te verstoten. Omdat God alle mensen aanvaardt, kan ik ook van Hem de kracht verwachten, om telkens weer te proberen ook mijn vijand in mijn liefde te aanvaarden…