Hoge dunk

A-cyclus · Tijd door het jaar · 7e zondag · groen

Hoe kun je nu eisen dat mensen hun vijanden beminnen? Dat is niet redelijk. Dat is mensen totaal overvragen. Misschien iets voor helden en heiligen, maar dat soort is nogal zeldzaam. De doorsnee-mens haalt dat nooit. Uit enquêtes blijkt dat het gebod van liefde voor de vijand inderdaad de grootste weerstand oproept, ook bij gemotiveerde gelovigen.

Het is zeer verwonderlijk dat uitgerekend Jezus die eis stelt. Hij weet wat mensen kunnen en niet kunnen. Hij maakt zich geen illusies. Hij is bovendien niet gekomen voor heiligen en helden, maar voor zieken en zondaars. Getuigt een dergelijke eis nog wel van liefde voor de mensen? Wie liefheeft, brengt begrip op voor de menselijke zwakheid. Liefde is barmhartig en bedekt alles met haar mantel. Dat lijkt niet te rijmen met het stellen van onhaalbare eisen.

Maar kan en mag Jezus eigenlijk wel anders spreken? Stel eens dat Hij zou zeggen: ‘Gedraag je fatsoenlijk. Ik weet wel dat het vanbinnen allemaal niet zo zuiver zit, maar ik knijp een oogje dicht. Er is immers toch geen veranderen aan. Zo zijn mensen nu eenmaal en zo zullen ze altijd blijven. Doe toch maar je best! Op het eerste gezicht klinkt dit veel milder. Maar voor die zachte taal moet dan wel een hoge prijs betaald worden: de schijnheiligheid. Door zo te spreken zou Jezus ons laten wegzinken in dubbelzinnigheid en hypocrisie. Het zou bovendien neerkomen op een onderschatten van de morele mogelijkheden van de mensen. Stel dat Hij zou zeg¬gen: ‘Je vijanden beminnen? Laat maar! Begin daar niet aan, want dat kun je toch niet.’ Dan zou een heel stuk van onze persoon voorgoed van de bekering tot liefdesbdkwaamheid uitgesloten worden. Dat weigert Jezus pertinent. Zeker, zijn ei-sen zijn zeer streng. Maar ze houden een geweldige opwaardering in van ieder van ons. Het hoeft niet zo te zijn dat we in dubbelzinnigheid en schijnheiligheid blijven steken. Gerechtigheid en liefde kunnen doordringen tot in de diepste wortels van ons wezen. Dat begint bij de uitwendige daad: niet doden, geen echtbreuk plegen, niet liegen. En het kan doorsijpelen tot in onze diepste gezindheid. Het kan en het moet.

Wat is er grootser dan dit: wij zijn geroepen om met al onze vezels en tot in de diepste roerselen van onze begeerten liefhebbende mensen te worden. Diegene die ons daartoe oproept, weet wel wat er in ons leeft. Maar dat weerhoudt Hem er niet van ons zo hoog aan te slaan! Hij aarzelt zelfs niet te zeggen: ‘Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is.’

Maar daar is toch geen doen aan! Dat is, denk ik, de verkeerde uitdrukking. Juister is te zeggen: we zien er geen einde aan. Welnu, het is niet omdat we er geen einde aan zien, dat er geen beginnen aan zou zijn. En wat is christen-zijn anders dan altijd opnieuw beginnen aan de overtreffende gerechtigheid van de Bergrede?

Zoeken in Preken Online