We lezen voor de derde maal uit de bergrede. Jezus liegt er niet om: geen ruzie, geen ontrouw, geen leugen. Wie kan zulke wet doorstaan? Is hier iemand aanwezig die niet ergens een vijand heeft? Moeten wij niet allen opstaan en ons eerst met onze broeder gaan verzoenen, dan terugkomen en ons offer aanbieden? Is hier iemand wiens ja in alles ja en wiens neen in alles neen is, iemand zonder zwart geld, zonder valse doktersattesten, zonder trucs, zonder privileges?
Waarom stappen wij dan niet op? Waarom verlaten wij de kerk niet? Wij leven toch in ruzie en ontrouw en leugen, of wij nu de oorzaak ervan zijn of anderen. Het is omdat Jezus, met zijn bergrede over vrede en trouw en waarheid, ons niet leert als de Farizeeën, die zelf onvolmaakt, de volmaaktheid leren. Jezus die volmaakt is, leert ons mens te zijn, jood te zijn zoals God jood zou zijn, heiden te zijn, zoals God heiden zou zijn, zóu zijn, want God is jood noch heiden. Alleen wie dát niet wil leren, van Jezus, die “uit God” geboren is, moet hier zondag niet terugkomen.
Jezus is volmaakt en daarom kan Hij zeggen hoe ook wij volmaakt moeten zijn: “zoals uw hemelse Vader volmaakt is”. De oude vraag of die onmogelijke bergrede ooit eens zal gerealiseerd worden, of zij voor nu is dan wel voor het einde der tijden, wanneer “God alles in allen zal zijn”, is eigenlijk echt geen goede vraag. Jezus’ punt is niet dát we volmaakt moeten zijn, Hij zegt hóe we volmaakt moeten zijn: “zoals uw hemelse Vader volmaakt is, die de zon laat opgaan en het laat regenen over slechten en goeden, over rechtvaardigen en onrechtvaardigen”.
Hij ironiseert de volmaaktheid en de straffen die de Farizeeën en nog anderen opleggen. Hij leert dat we anders dan de scholen over volmaaktheid moeten denken, Hij heft de plicht tot volmaaktheid niet op. Hij bezweert zijn leerlingen Hém te volgen, van Hém te leren hoe ze goede joden kunnen zijn, niet van de andere scholen en groepen die de Wet en de Profeten uitleggen.
Hij bezweert ons: “Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen”. Gerechtigheid en volmaaktheid zijn synoniem. Als wij volmaakt zijn zoals de Farizeeën, baat het ons tot niets.
We moeten geen volmaakte Farizeeën zijn, we moeten helemaal geen Farizeeën zijn, we moeten, zoals de mensen zeggen, mens zijn. Daarin klinkt door wat Jezus leerde. Dat onze gerechtigheid, onze volmaaktheid, die van de Farizeeën “vér” moet overtreffen, wil zeggen dat wij mens moeten zijn zoals God het zou zijn indien Hij mens werd. De godslastering die Jezus het leven zou kosten staat al te lezen tussen de regels van zijn leer over gerechtigheid, volmaaktheid, menselijkheid. “Hier is méér dan Jona, méér dan Salomo”, hier is méér dan Mozes zelf!
Jezus wordt nu nog niet van godslastering verdacht, maar het gezag waarmee Hij Mozes’ leer uitlegt is explosief en dát weten de anderen nu al. Ze verdenken er Hem van gekomen te zijn “om de Wet en de Profeten op te heffen” en Hij moet zijn leerlingen verwittigen dat Hij niet de Wet en de Profeten, maar wat ze ervan gemaakt hebben wil opheffen.
De Wet zegt: “Gij zult uw naaste beminnen”, en zij voegen eraan toe: “Ge zult uw vijand haten”. Ze hebben het niet van Mozes gehoord dat ze hun vijanden moeten haten, maar van de scholen in Israël, die zeggen dat Mozes zo over vijanden gesproken heeft. Jezus wil de Wet van Mozes niet oprollen, maar als het waar is wat Hij leert, moeten de scholen van de anderen sluiten. De bergrede van Jezus houdt een leer voor waarbij een schoolstrijd niet kan uitblijven…