‘Farizeeën’ betekent in oorsprong: de ijverigen, de toegewijden. God dienen was in het joodse denken de wetten van God, de Thora - door Mozes gegeven - nauwgezet onderhouden. En de farizeeën hadden het tot hun taak gemaakt die leefregels te bestuderen zodat men precies wist waar men zich aan moest houden om God te dienen.
Maar die ijver voor de wet was bij de meeste omgeslagen in fanatisme. En fanatiekelingen zijn een ramp voor elke godsdienstige beweging. Daarom ligt Jezus voortdurend in de clinch met deze vrome muggenzifters. Zo leerden ze bijvoorbeeld: begin met het onderhouden van de sabbat een uur eerder dan is voorgeschreven dan voorkom je dat je per ongeluk de sabbat te laat zou beginnen en de voorgeschreven rust dus niet in acht zou nemen. Zo verlegden ze de wet, breidden de regels uit en maakten het de mensen steeds moeilijker.
Jezus breidt de wet ook uit, maakt het de mensen ook moeilijker, maar op een heel andere manier. Het gebod: ge zult niet doden, verruimt Hij. Het betekent ook, dat we mensen niet mogen doodpraten, doodzwijgen of doodkijken. Ge zult niet doden, betekent volgens Jezus: het leven respecteren, elkaar eerbiedigen. Doden begint volgens Hem als je doet of een ander niet voor je bestaat of elkaar met harde woorden verwondt. Dat en nog veel meer is dodelijk.
Waar Jezus tegen protesteert, is het kleinburgerlijke denken van veel farizeeën, letterknechten met te weinig oog voor de intentie van de wet. Zo gaan ze goedbedoeld, klein en benepen om met Gods geboden.
Niet moorden, betekent bij Jezus: bouwen aan het leven, respect voor elkaar en eerbied voor de schepping.
Niet echtbreken betekent bij Hem: trouw zijn aan elkaar, niet voor het oog van het kerkvolk, maar met je hart erbij zuinig zijn op elkaars geluk.
Niet stelen, betekent eigenlijk: bereid zijn te delen. Niets is helemaal van jou alleen, zolang anderen niet te eten hebben. Ons brood is ook hun brood. En alle brood dat wij weggooien is eigenlijk gestolen uit de mond van wie niets te eten hebben.
Een joodse geloofsleerling vroeg eens aan zijn leermeester: Rabbi, waarom werd de tempel van Jeruzalem indertijd verwoest? De tempel is verwoest, antwoordde de Rabbi, omdat de mensen van Israël de wet hadden gedaan… Een merkwaardig antwoord, want de wet doen is toch goed? Jazeker, maar het is niet genoeg; het gaat om het van hárte doen wat God wil, het gaat erom dat we net iets meer doen dan waartoe we verplicht zijn.
Er zijn bijvoorbeeld verpleegkundigen die precies doen wat hun is opgedragen; er mankeert niks aan. Maar pas als ze net iets meer doen en met hun hart erbij, zeggen de patiënten: die daar, dat is pas een lieve zuster.
Er zijn gelovigen die nooit uit de pas lopen, ze doen wat hoort en ze houden zich aan wat is voorgeschreven, maar toch stralen ze geen geloof uit, je proeft geen evangelie.
Er zijn velen die geen mens kwaad doen en dat is al heel wat.
Maar het is niet genoeg, leert Jezus, het gaat er niet alleen om dat je geen mens kwaad doet - dat zeiden ze tegen de ouden, maar ik zeg u - het gaat erom dat je elkaar goéd doet.
Niet omwille van de wet, maar vanuit je hart…