Als er ooit door Jezus gezegd is dat het christendom geen besloten club is van mensen die voor zichzelf zorgen en bidden dat alles goed komt met hen en de wereld, dan is het wel in dit stukje uit het evangelie. Jezus zegt hier tegen ons dat wij zout en licht moeten zijn voor de wereld. Dus mensen die beweren dat godsdienst een privé-aangelegenheid is, die beweren dat je een scheiding moet maken tussen politiek bezig zijn en godsdienstig bezig zijn, die beweren dat ons christen-zijn zich afspeelt binnen de kerk en dat ons menszijn zich bezighoudt met ons bedrijf en ons gezin, dus buiten de kerk, worden hier wel duidelijk in het ongelijk gesteld. Maar zijn de kerken - dus ook wij zelf - daar niet schuldig aan? Want we hebben ons leven lang, en zelfs nog langer, gemeend, dat het christendom een godsdienst was met een geloof en een inzet voor het hiernamaals, en met ongeloof en weinig inzet voor het hier en nu. We laten wel licht schijnen, maar meer als een noodsignaal in de trant van kom toch bij ons zangkoor, want we zijn maar met zo weinig en kom toch bij onze liturgiegroep, want we hebben het al zo moeilijk.
Het is tegenwoordig ‘in’ om aan bekende personen in een interview te vragen of zij godsdienstig zijn. Of het nu gaat om een beroemde keeper van het nationaal elftal of om een artiest die een show geeft. Blijkbaar hechten we waarde aan hun uitspraak over godsdienst. Vreemd eigenlijk, want we zouden nauwelijks waarde hechten aan een uitspraak van een keeper over een show, of van een showmaster over het keepen. Maar goed: blijkbaar is het ‘in’ hun te vragen of zij godsdienstig zijn. En als dan iemand van de showbusiness met een denigrerende glimlach zegt: ‘Nee, ik ben niet godsdienstig’, dan moet daaruit blijken dat hij met de mythe van de godsdienst heeft afgerekend. Dat was een verschijnsel in een periode waarin de techniek nog niet was geboren. In zijn opvatting lag het voor de hand dat primitievere mensen zich door gebrek aan techniek niet konden helpen en daarom hun heil hogerop zochten. Maar hij is niet zo primitief meer. En hij doet uitspraken over godsdienst alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en alsof daar nog nooit over is nagedacht.
Toch zit hier een addertje onder het gras, of liever gezegd: een heel legioen van adders. Blijkbaar is godsdienst een zaak geworden die helemaal binnenkerkelijk is. Die niets meer te maken heeft met ons dagelijks bestaan, en daar ook geen betekenis voor heeft. En dat is de schuld van de kerken, en van de christenen. Die hebben zich te weinig bemoeid met het welzijn van de mensen, met de honger in de wereld, met het onrecht dat wordt gedaan, met het milieu dat wordt vervuild, en met de banken die al lang in rente de schuld van de ontwikkelingslanden hebben geïnd, en toch maar doorgaan met het vragen van rente.
Toch hebben we daar wel degelijk boodschap aan. Niet voor niets zegt Jezus: ‘Jullie zijn het licht der wereld, jullie zijn het zout der aarde’. Als wij hier op zondag samenkomen zou de wereld daar wel degelijk iets van moeten merken. Maar in feite is de vrijblijvendheid van onze zondagse samenkomst zo bij ons ingebakken, dat we raar zouden opkijken als iemand zou zeggen: er gaat iets gebeuren, want de katholieken zijn zondag weer samen geweest. We kunnen ons afvragen of iemand, wie dan ook, zich ooit denigrerend zou uitlaten over godsdienst als wij als kerkmensen veel zouden doen aan het milieu, zoals Greenpeace, of aan het onrecht, zoals Amnesty International…