5e zondag door het jaar A - 2002

A-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

Ge hebt het gehoord, zusters en broeders: ge zijt het zout van de aarde en het licht van de wereld. Met al die chemische bewaarmiddelen en de lichtvervuiling van vandaag zeggen die woorden misschien niet meer zoveel, maar toch zal iedereen wel weten dat zout een oeroud bewaarmiddel en een al even oude smaakgever is, en dat licht staat voor helderheid, hoop en leven.

Zo zijn wij, christenen dus: zout dat smaak geeft aan de wereld en hem behoedt voor bederf, en licht dat leven geeft. We worden dit door te leven volgens de Zaligsprekingen, dus door op vredelievende, barmhartige en zachtmoedige wijze te streven naar gerechtigheid. En als we dàt doen, als we Gods droom op diè manier gestalte geven, worden we een stad op een berg die niet verborgen kan blijven, en wordt ons hele leven een verheerlijking van de Vader die in de hemel is. Geen verheerlijking van onszelf, want niet ons eigen licht geven we door, wel het licht van Jezus. Steek dat licht niet onder de korenmaat en laat het zout zijn kracht niet verliezen, zegt Hij ons nog, want dan deugt het nergens meer voor.

Welnu, zusters en broeders, soms heb ik de indruk dat precies dit aan het gebeuren is: dat ons christelijk zout verflauwt en dat ons christelijk licht zichzelf ergens in een hoekje verbant. Soms heb ik de indruk dat we ons christen-zijn vooral beleven als iets dat we door geboorte en opvoeding hebben meegekregen: we gaan dus elke zondag naar de kerk, we luisteren naar Gods woord, branden al eens een kaarsje, delen mee met Broederlijk Delen en Welzijnszorg en gaan al eens op bedevaart. Maar misschien blijft het wel daarbij; misschien dragen we Gods woord niet genoeg mee naar buiten, misschien beleven we het te weinig in ons leven van alledag. Christendom is wel van ons, maar niet echt in ons. Terwijl Jezus precies vraagt dat we zijn woorden in daden zouden omzetten, zoals Hij zelf altijd heeft gedaan.

Is ons persoonlijk christelijk zout wat verflauwd, ook als gemeenschap, als Kerk steken we ons licht misschien te zeer onder de korenmaat. De laatste jaren horen we alleen nog jammerklachten over de leegloop van de kerken, het afhaken van de jongeren, het priestertekort en zo meer. En dat vloeit allemaal samen in dat ene jammerzinnetje: We zijn een kleine minderheid geworden, en we moeten ons ook zo gedragen. Maar zijn we echt wel zo’n kleine minderheid? Gelijk welk onderzoek in Vlaanderen toont aan dat 80% van de ondervraagden zichzelf christen noemt. 80%: ik noem dat niet echt een kleine minderheid. Die zogezegde minderheid is boven- dien maatschappelijk bijzonder sterk aanwezig in instellingen als onderwijs, ziekenhuizen en mutualiteit, zelfs in vakbonden. Christenen zijn dus geen minderheid, op geen enkel gebied, maar tegelijk kan niet ontkend dat bij veel christenen het zout erg verflauwd en het licht sterk verdoofd lijkt. Misschien omdat wij als groep, als Kerk, te weinig aanwezig zijn in deze wereld, misschien omdat we als Kerk te ver afstaan van de problemen van deze wereld en deze tijd, waardoor we ook niet echt meer kunnen bezielen. Het zijn niet mijn vragen, wel die van Rik Torfs, hoogleraar kerkelijk recht aan de KU Leuven, in een boek dat deze week verschenen is onder de titel: De kardinaal heeft verdriet. Vragen die peilen naar het wezen zelf en ook naar de plaats van onze Kerk in deze tijd en in deze maatschappij.

En vragen zijn er genoeg, bijvoorbeeld: Moet onze Kerk op de achtergrond blijven bij problemen als jeugdmisdadigheid, voedselveiligheid, globalisering van de economie, milieuverloedering en moordend verkeer? Moet onze Kerk zo oorverdovend stil blijven wanneer het gaat om de strijd voor een sociaal Europa, om asielzoekers, om nieuwe technologieën? Is het voor onze Kerk echt onmogelijk om vanuit Jezus, en vanuit Jezus alleen, om te gaan met maatschappelijke en persoonlijke problemen als echtscheiding en homoseksualiteit? Is het absolute verbod op condooms echt het enige woord dat vanuit Gods liefde kan gericht worden tot die landen in zuidelijk Afrika waar nu al eenderde van de bevolking seropositief is?

Zusters en broeders, wie ooit in de Provence geweest is, kent waarschijnlijk Les Baux-de-Provence, een middeleeuws stadje boven op een uitstekende rots. Alleen al de rit ernaartoe is onbeschrijflijk mooi. Achter elke kronkel van de berg schittert het u tegemoet. Het is een stadje dat gezien mag worden, een stadje dat zich niet kàn verbergen, en dat zich ook niet wil verbergen. Een parel van een stadje, dat glinstert in de Provençaalse zon.

Welnu, zusters en broeders, zo’n glinsterende parel is ons christendom. Een godsdienst om lief te hebben, met een God die liefheeft en een Godszoon die leerde lief te hebben. Ik zeg dan ook zonder aarzelen: ik houd van dit geloof en ik houd van die Kerk. Zonder dat geloof en zonder die Kerk stond ik hier niet, meer nog: wàs ik niet. En ik weet heel zeker dat dit ook voor u geldt, dat ook gij van uw geloof en uw Kerk houdt, anders waart ook gij hier niet. Laten we dus, vanuit dat geloof en vanuit die liefde, als individu èn als Kerk zijn wat Jezus ons noemt: het zout en het licht van de wereld, en een schitterende stad op de berg. Amen.

Zoeken in Preken Online