De tijd van koningen en koninginnen is voorbij. Zelfs in een ouderwetse republiek als die van de Verenigde Staten - ouderwets omdat het een presidentiële en niet een echte democratische republiek is, waar de president (te) veel aan oude koninklijke macht overgehouden heeft - is het daarom wat moeilijk om over het koninkrijk van God te spreken. Men prefereert de term ‘rijk van God'.
Dit is eigenlijk niet omdat koninginnen en koningen hun tijd gehad hebben, maar omdat wij allen gelijkelijk koningin en koning zijn. We hebben moeilijkheden met eersten en laatsten! De Jezus die Matteüs ons beschrijft had het daar - zoals we al verschillende keren opmerkten - ook heel moeilijk mee. Er moeten geen meesters, geen vaders, geen ‘meerderen’ onder ons zijn.
In de Hebreeuwse bijbel was dat eigenlijk ook al de bedoeling. Vooral de oudere profeten maken het duidelijk dat er toen al geen koningen hadden moeten zijn. Koningen zouden alleen maar last veroorzaken. Het volk zou te veel naar hen opkijken en eigen ver¬antwoordelijkheid en waardigheid verliezen. Het hele volk was koninklijk! Misschien dat dit mede een van de redenen is dat de term ‘koning’ een van de meest gebruikte woorden in die geschriften is. Het wordt meer dan 2500 keer gebruikt!
Men verwacht veel van die koninklijkheid en van de koning! Die hooggespannen verwachtingen worden verschillende keren onder woorden gebracht. Je kunt daar bijvoorbeeld Ps. 72 op nalezen. In die psalm wordt voor de koning gebeden. Een gebed dat tegelijkertijd zijn rol op een ideale manier beschrijft. ‘Leer de koning te oordelen met uw gevoel voor gerechtigheid, o God, deel met hem uw rechtvaardigheid, zodat hij uw volk rechtvaardig zal besturen en met gerechtigheid over de verdrukten zal heersen. Hij redt de armen die hem aanroepen, en hen die behoeftig en verwaarloosd zijn. Hij heeft medelijden met de zwakken en de armen. Hij redt het leven van hen die in nood verkeren. Hij redt ze van onderdrukking en geweld, hun levens zijn kostbaar in zijn ogen’ (Ps. 72,1-2.12-14). Met andere woorden, het gebed vraagt dat de geest van God zelf op de koning mag rusten. Het is die geest die men van een koning verwacht.
Bij het begin van zijn openbare leven ontrolt Jezus in de synagoge van zijn eigen woonplaats Nazaret de rol van Jesaja voor de ogen van alle aanwezigen. Hij leest hun dan voor: ‘De geest des Heren is over mij gekomen, omdat hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de blijde boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden dat ze zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid’ (Luc. 4,18-19). Hij geeft de rol terug, en zegt: ‘Die tekst is nu vervuld.’ Met andere woorden: ‘Ik ben die koning.'
Maar dat verwacht hij ook van ons! In de beschrijving van het laatste oordeel komen de volkeren niet samen om te zien of Jezus Christus een goede koning was. Zijn vraag zal zijn of wij tijdens ons leven koninginnen en koningen waren. Als een koning gezeten op zijn troon, zal hij ons vragen in hoeverre wij koninklijk optraden in ons leven. Hielpen wij behoeftigen, bezochten wij zieken, verlosten wij gevangenen, gaven we hongerigen te eten en naakten kleding? In dat omkeren van rollen gaat hij zelfs verder, wanneer hij zegt, dat hij zichzelf als de armen, hongerigen, naakten, gevangenen en behoeftigen beschouwt, die wij in ons leven tegenkwamen. Zijn vraag zal dus zijn of wij nu - op dit ogenblik, tijdens ons leven hier op aarde - als koninginnen en koningen leven. En dat natuurlijk op de marmer zoals dat voorzien is voor koningen en koninginnen in dat psalmgebed. In dat gebed en in die beschrijving wordt gebeden dat wij hoop- en levengevend mogen zijn, verlossend, helpend, en bevrijdend.
Wij worden geacht onze harten en geesten te openen voor allen die in nood zijn. Het wordt van ons verwacht dat onze rechtvaardigheid en gerechtigheid over de heuvels en door de dalen van het ganse land heen rollen. We zullen er die laatste oordeelsdag aan herinnerd worden dat wij eens priester, profeet, maar ook koning(-in) gezalfd werden bij ons doopsel. De vraag zal zijn of we ons leven even koninklijk leefden als hij.