Het liturgisch jaar wordt besloten met het feest van Christus Koning. Dit lijkt wat triomfalistisch, maar dat is het niet. Veeleer is het een dag van moedig geloven en vertrouwen, van blijven uitzien naar wat, ondanks alle schijn van het tegendeel, toch ooit zal komen: de voltooiing van het (Konink)rijk Gods. Bovendien heeft Jezus zelf toegegeven dat Hij koning is, evenwel van een rijk dat niet van deze wereld is.,
Het koningschap lijkt uit de tijd. Koningen hebben nu geen echte macht meer. In de bijbelse tijden was dat anders. Toen waren koningen bijna almachtig, met alle daaraan verbonden risico’s. Bij de profeet Ezechiël kun je vlijmscherpe tirades lezen tegen de verdorvenheid van leiders en koningen. Anderzijds is doorheen heel de Schrift de roep te horen om een rechtvaardige koning, die onkreukbaar is en rechtspreekt zonder de mensen naar de ogen te zien. Een dergelijke vorst is dan ook persoonlijk, met heel zijn hebben en houden, ja zelfs met zijn hele lichaam, verantwoordelijk voor het welzijn van zijn onderdanen. Als hij niet rechtvaardig handelt, zal hij daar zelf voor boeten. De eisen die God aan de koning stelt, zijn verschrikkelijk hoog.
Het geliefkoosde bijbelse beeld voor een koning (en voor om het even welke machtsdrager) is dan ook niet dat van de krijgsheld of de praalzieke monarch, maar dat van de herder. De koning moet herder zijn. Jezus heeft zichzelf koning genoemd, maar evenzeer herder, goede herder.
In de perikoop die we hier lezen, lijkt die goede herder zijn zorg voor zijn schapen helemaal vergeten te zijn en zich alleen nog als zelfbewuste koning en strenge rechter op te stellen. In plaats van voor zijn schapen te zorgen, komt hij nu over ze oordelen. Hij maakt daarbij een scherpe scheiding tussen schapen en bokken, en tegen zijn vonnis is geen beroep meer mogelijk.
Wat is er dan gebeurd? Heel eenvoudig: de schapen worden nu niet langer als schapen, maar als herders bekelzen. Meer zelfs, de Heer gaat met hen om zoals Jahwe in het Oude Testament met de koningen en heersers omging. Iedereen blijkt macht te bezitten en dus verantwoording te moeten afleggen van wat hij daarmee gedaan heeft. Die oordeelsparabel gaat nu niet langer over hooggeplaatste machthebbers, maar over jou en mij, en over wat ieder van ons in zijn ‘koninkrijkje’ gedaan heeft. De omkering gaat nog verder, want de Koning van het heelal kruipt in de huid van de schapen: ‘Ik was hongerig, dorstig, naakt, ziek, op de dool, in de gevangenis… wat hebt gij gedaan?’ Hij gaat er als vanzelfsprekend van uit dat wij macht hebben, dat wij als vorsten met het onze kunnen doen wat wij willen. Niet met wereldrijken, maar met een stuik brood, een beker water, onze kleren, aandacht en zorg.
Geloven dat die macht van de liefde het uiteindelijk zal halen, is geen triomfalisme, maar gedurfd vertrouwen in Jezus Christus, onze Heer. Daarom noemen we Hem Koning