Het einde der tijden komt in de beleving van de kerk dichterbij wanneer het kerkelijk jaar ten einde loopt. Het is de tijd van rekenschap, de balans opmaken. God luistert naar ons verhaal en Hij beziet ons leven. We mogen dat leven bij God brengen, maar wat willen we aan Hem tonen? Durven we ons tot God te richten of zouden we liever ons verbergen zoals dat ene talent dat in de grond wordt verborgen door de bange dienaar.
We zijn kritisch en bescheiden en toch mogen we ons realiseren dat God ons veel heeft toevertrouwd. Mogen we in deze viering de nabijheid van zijn Geest ervaren opdat we met nog meer daadkracht het evangelie gestalte geven in ons bestaan!
Eerst bezinnen we op onze eigen balans van de afgelopen week en brengen we onze tekorten en aarzelingen en twijfels bij God en bidden we om ontferming.
Het koninkrijk Gods gaat over de mens die kan leven van Gods rijkdom. Jezus wil de mensen helpen speuren hoe zij deze rijkdom op het spoor kunnen komen. De mens wordt namelijk vaak teleurgesteld in deze zoektocht. De mens bouwt zijn/haar leven vaak op gebeurtenissen, op relaties, op hetgeen hij bereikt heeft, op netwerk en carrière. Maar steeds weer lijken illusies op zijn pad te komen: vriendschappen geven niet altijd wat je gehoopt had, relaties zijn soms minder stevig dan je verwacht had. Maar ook de materiële welvaart die een basis van zekerheid en veiligheid geeft, blijkt minder stabiel en veilig. Er is veel onrust, soms terecht en soms overdreven. Duidelijk is wel dat de mens enorm kwetsbaar is en zijn toevlucht zoekt in allerlei hulpmiddelen en handvatten die de wereld hem biedt. Is het verstandig daarop te bouwen? De vraag stellen is hem beantwoorden.
Het verhaal van de talenten dat het evangelie ons vandaag aanreikt, is enorm actueel. De kern is dat de mens tot besef dient te komen dat zijn werkelijke rijkdom Gods rijkdom is. De ware rijkdom die de mens in zijn innerlijk bezit, is hem door God gegeven. Hij heeft ons die rijkdom geschonken. Als mensen hebben we aandeel in wat God de wereld toevertrouwt. De schepping wordt door God niet zomaar losgelaten na de schepping. De man in de parabel die symbool staat voor God, vertrekt dan wel naar een ver buitenland, maar hij laat zijn wereld, de schepping niet verweesd achter. Er zijn dienaars, die in het evangelie juist vanwege hun intieme relatie met God tot vrienden zullen uitgroeien. Aan deze dienaars wordt waarlijk veel toevertrouwd aan zorg voor medemensen, voor de samenleving, ja zelfs voor Gods koninkrijk. God wil het blijkbaar niet alleen doen, maar heeft zijn dienaren en dienaressen die dat koninkrijk kunnen helpen vestigen. Daartoe schenkt Hij hun talenten.
Het woord talenten doet natuurlijk snel denken aan wat wíj onder talenten verstaan, maar het was oorspronkelijk een gewicht en later een munteenheid. Het gaat dus letterlijk om rijkdom en om het gewicht dat we in de schaal leggen. Het is wonderlijk dat het succesverhaal van de twee eerste dienaren nauwelijks toelichting krijgt: hoe zij hetzelfde bedrag erbij verdienen als zij ontvangen hebben, wordt niet verteld. Alsof het vanzelf gaat, alsof leven vanuit Gods rijkdom aanstekelijk werkt. De derde dienaar is bang en verstopt de rijkdom van God. Dan wordt het wel goed bewaard, maar het is niet Gods bedoeling dat Gods rijkdom wordt opgepot. Wat wij van God ontvangen hebben is geen persoonlijk bezit, geen persoonlijk voorrecht, maar het is een opdracht.
De actieve vrouw uit Spreuken stopt haar leven ook niet in de grond. Zij houdt zich met van alles bezig, de liturgische tekst in de eerste lezing is slechts een samenvatting van haar vele activiteiten die een heel hoofdstuk, het slothoofdstuk van dit hele boek, vullen. Zij vindt haar voldoening in het werk dat zij voor anderen verricht. Die dienstbaarheid kan soms in kleine taken schuilen, maar in het koninkrijk telt alles, ook het kleine, het voorzichtige en het kwetsbare.
Dienstbaarheid is de sleutel tot het koninkrijk omdat we daarin leven in navolging van Jezus Christus. In Hem wordt Gods rijkdom zichtbaar voor wie dat wil zien. Voor veel mensen blijft die rijkdom verborgen omdat zij ten diepste arm zijn en die rijkdom niet herkennen. Zij zijn arm omdat zij niet de kracht herkennen van het vermogen om je dienstbaar op te stellen.
In de praktijk is wat gemakshalve dienstbaarheid genoemd wordt, vaak gericht op wederdienst, wordt vaak gemotiveerd vanuit een behoefte om goed te zijn; het wordt vaak begrensd door eigenbelang. Dan is het geen rijkdom maar een berekening die gemaakt wordt: je kunt er wat mee winnen. Bij evangelische dienstbaarheid gaat de mens aan zichzelf voorbij. Hij lijkt dan zichzelf te verliezen, maar integendeel die mens vindt juist zijn bestemming.
Dat betekent niet op iedere vraag om hulp ja te zeggen en in ene geopende hand steeds geld te leggen, het betekent niet altijd maar simpelweg doen wat anderen willen. Dienstbaarheid ontslaat namelijk de ander niet om zelf na te denken en om zelf stappen te zetten die nodig zijn. Hulp weigeren kan soms een positieve uitwerking hebben. Ook dat weigeren kan soms uit oprechte bekommernis gebeuren.
Het is ook dienstbaarheid aan de wereld als we als kerkgemeenschap die dienstbaarheid van Christus als onze rijkdom verkondigen en beleven. Laten we deze dienstbaarheid niet in de grond stoppen maar tonen deze aan de mensen om ons heen. Mogen wij het steeds als onze rijkdom ervaren en mogen we bij het werken aan Gods koninkrijk ook ervaren dat deze rijkdom steeds vermeerderd wordt.
Amen