33e zondag door het jaar (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen

Inleiding

‘Zo spreekt de Heer: Ik ken de plannen die Ik met u heb: Ik wil vrede en geen onheil. Als u Mij aanroept, zal Ik u verhoren.’ En waarvoor roepen zij Hem aan? Om terugvoering, bevrijding uit de ballingschap. ‘Ik zal u verhoren en u terugvoeren uit de (Babylonische) ballingschap.’ Zo ligt er een plan, een bevrijdingsplan achter ons leven. Allerlei machten en krachten hebben invloed op ons leven. Die machten en krachten kun je overzien, je kunt ze in de greep krijgen, je kunt ze begrijpen, of je kunt je er juist niet tegen teweer stellen, omdat ze sterker zijn dan je eigen krachten, je kunt je er niet tegen wapenen. Maar dan mag je weten dat er nog een heel ander krachtenveld is, en dat is het krachtenveld van God. Daarin zijn wij opgenomen. Hij heeft plannen van heil met ons leven, en ons geloof doet ons die plannen kennen en werkzaam worden. Wij kunnen de plannen van God door ons geloof laten uitvoeren. Dat is de werkzaamheid van ons geloof. Als we ons geloof, dat talent dat we hebben gekregen, die goddelijke mogelijkheid, in de grond stoppen, dan leven we misschien wel in de Kerk, dan horen we de woorden van God en zijn plannen wel, maar dan raakt het ons hart niet, dan verandert het ons niet, omdat wij er niet naar leven. Dat is dan waarvoor wij op deze zondag in het evangelie gewaarschuwd worden, dat wij datgene wat wij bij ons doopsel hebben meegekregen, werkzaam laten worden in ons leven. Bij ons doopsel heeft ieder van ons minstens één talent gekregen en daarmee kunnen wij heel ons leven veranderen.

Homilie

“Aan de een gaf hij vijf talenten, aan de ander twee, en aan een derde één.” Wat moeten wij ons in hemelsnaam bij die talenten voorstellen? Moeten wij aan geld denken? Nu is een talent inderdaad wel een geldbedrag, maar dat is wel zo’n groot bedrag, dat zelfs de allerrijkste mensen zich er niets bij kunnen voorstellen. Het is gewoon van een andere orde. Het is zoveel als het bruto nationaal product van een heel land. Die heer heeft dienaren nodig om zijn vermogen te beheren. Twee talenten is geen geld, het is zelfs iets waardoor alle geld waardeloos wordt. Zoals de man die een schat gevonden had in zijn akker. Hij ging naar huis, en ging alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker (vgl. Mt 13,44). Die schat was hem meer waard dan al het geld dat hij had. Hij had geen cent meer, maar hij was de koning te rijk. Of zoals ouders zich rijk kunnen voelen met hun geloof, en met een zekere meewarigheid naar het leven van hun kinderen en kleinkinderen kunnen kijken, volgestopt met allerlei vormen van rijkdom, maar toch o zo arm, zo leeg. Het is eigenlijk ook niet in kwantiteit uit te drukken.
De apostelen vroegen eens aan de Heer: “Heer, geef ons méér geloof. De Heer antwoordde: Als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: Maak uw wortels los uit de grond en plant u in zee, en hij zou u gehoorzamen” (Lc 17,5.6). Geloof, zelfs de allerkleinste hoeveelheid, is in staat om de wereld te veranderen, en is ook in staat om diepgewortelde gehechtheden los te krijgen, los te wrikken. Het is dan ook niet iets van deze orde, het is niet een menselijke kracht die daartoe in staat is. Talenten in deze samenhang zijn dan ook geen menselijke begaafdheden, ze behoren niet tot de eigen mogelijkheden van de mens, waarmee hij of zij kan pronken, een hoge borst mee kan opzetten, anderen de ogen mee kan uitsteken.

Iemand kwam eens in een gezelschap van jonge mensen. Toen hij er een beetje in had rondgekeken, zei hij tot een ander: het bulkt hier van de talenten. Die ander begon te glimmen van voldaanheid, van zelfvoldaanheid. Dat zijn de talenten waarmee wij op school geleerd hebben te woekeren. En dat is nu juist het laatste wat er met deze parabel bedoeld wordt; dat is wat mén ervan gemaakt heeft. In de parabel is nu juist een talent niet het eigen kunnen van de mens, maar een vermogen om het goddelijke kunnen, de plannen van God, in werking te stellen. Het is een nieuwe mogelijkheid voor de mens buiten zijn eigen mogelijkheden om. Het is vergelijkbaar met wat de natuur is voor de boer. Hij laat het zaad in de grond vallen en laat de natuur haar werk doen. Dat is misschien een goed woord: God zijn werk laten doen! Dat betekent dat je je talent niet in de grond moet stoppen; de plannen van heil die God heeft, de plannen van vrede, niet dwarsbomen, niet tegenwerken.

Met je talent woekeren, het gebruiken, betekent niet de eigen mogelijkheden ontplooien, maar de mogelijkheden van God in werking brengen. Zoals die eerste dienaar. Hij kreeg overeenkomstig zijn talenten, zijn menselijke mogelijkheden, vijf talenten van God, vijf mogelijkheden van God om bij elke menselijke mogelijkheid die hij had, een goddelijke kracht erbij te ontwikkelen, zodat hij met zijn menselijke talenten vruchtbaar werd voor het rijk van God. “Die de vijf talenten gekregen had, ging er terstond mee werken.” Meteen maakte hij zijn geloof werkzaam; hij werkte met een levend geloof en niet met een dood geloof; hij werkte niet met dood kapitaal. Meteen begon hij waakzaam te zijn, begon hij zich te onthechten aan het aardse, aan menselijke mogelijkheden; meteen begon hij elke nieuwe dag te beleven als de laatste dag van zijn leven. Op zovele plaatsen in de Schrift staat wat er gebeurt als iemand Gods mogelijkheden in werking brengt: meteen begon hij God voor alles te danken; meteen begon hij het slachtoffer, die hij onderweg tegenkwam, te verzorgen, en met al zijn mogelijkheden, met al zijn talenten te bedienen; meteen begon hij het kwaad, dat hem van de kant van de mensen overkwam, op een andere manier tegemoet te treden dan zijn menselijke natuur hem ingaf: vergeven in plaats van wreken; meteen begon hij zichzelf gelukkig te prijzen als hem vervolging overkwam en God te danken wanneer hij door mensen achteruit gezet werd; meteen gaf Petrus gehoor aan Jezus’ bevel om over het water naar Hem toe te komen.

Hoe meer je met zijn geloof doet, des te meer krijg je gedaan. Als je merkt dat je zwak bent, aan het eind van je mogelijkheden bent, en vertrouwt op dat talent, op dat geloof, dan word je sterk door Jezus Christus. Alles kan, als ik maar geloof. Ik kan alles met mijn geloof, want ik werk dan met de kracht van God en daarvan zegt de Schrift: “Voor God is alles mogelijk” (Mt 19,26; vgl. Mc 10,27; Lc 18,27). Niets is onmogelijk. God kan uit elke situatie nog wel iets maken.
Dat is dan ook wat we in de eucharistie op zondag belijden: ‘Credo’, ‘Ik geloof in God de almachtige Vader.’ Ik geloof dat mijn hemelse Vader met de dingen van mijn leven kan maken wat Hij ermee voor heeft: plannen van heil en niet van verdriet.

Zoeken in Preken Online