De parabel van de talenten is gemakkelijk na te vertellen,
maar het is veel moeilijker hem juist te begrijpen.
Het is niét het verhaal van ons kennen en kunnen
of van hoe wij onze eigen mogelijkheden ontplooien.
Het is het verhaal van God die risico neemt met ons.
Hij durft het aan ons de zorg toe te vertrouwen
over alles wat van Hem komt.
“Komaan,” zegt Hij, “ik vertrouw je mijn schepping toe,
zorg daar goed voor. Kijk maar wat je ermee kunt doen.”
“Kijk hier,” zegt Hij, “ik geef je medemensen,
van alle soorten en kleuren. Ga er liefdevol mee om.”
“O ja,” zegt Hij, “je krijgt ook nog mijn Liefde.
Die zal je zeker kunnen gebruiken.
Deel ze in vreugde, zonder te berekenen,
de uitkomst kan alleen maar gunstig zijn.”
En dan zien we de durvers :
zij die de schepping verrijken,
zij die hun medemensen helpen zich te ontplooien,
zij die liefde rondstrooien zonder maat.
Aan hen zal God zeggen :
“Waarachtig, je hebt mijn schepping nog mooier gemaakt!”
En er zijn ook bangeriken of onverschilligen,
die met Gods wondere instrumenten niet eens durven werken,
die de rijkdom ervan niet inschatten.
Over hen zal God bedroefd moeten zeggen
dat Hij zich bedrogen voelt.