Vijf of twee of één talent, het doet er niet toe. Dat is wiskunde en dat was niet de specialiteit van Jezus. Op dat punt was hij geen uitvinder. Het was niet zijn sterkste kant.
Vijf, twee of één: daarover gaat het niet. En hoeveel een talent weegt, is ook niet de kern van de zaak. En of die van vijf zwaarder weegt dan die met één, is ook al naast de kwestie.
Het gaat om die mens met dat éne talent, om de mens die in zijn eigen ogen te klein is en te minderwaardig. Die egocentrisch zijn geschenk bekijkt en het niet durft te openen, omdat hij vreest dat hij dan zelf geschenk moet worden voor anderen. Het gaat om de mens die bang is om te ontvangen, omdat hij beseft dat hij dan ook geven moet. Om die angst gaat het, om de angst om uit te breken, om uit onze eigen koestering te moeten treden en het gelaat te ontmoeten van de andere, die me vraagt: durf je me liefhebben? Van dat gezicht ben ik bang, want ik kan geen gezichtsverlies lijden. Ik wil mezelf zien in mijn eigen spiegel. Als ik in de spiegel ook de andere zie, kan ik geen vrede sluiten en zeggen: broeder, zuster.
Ik houd aan mijn eigen veilig water, want als ik dat verlaat vrees ik dat ik sterven zal zoals een vis buiten water. Daarom zwem ik smakeloos in mijn eigen vijver rond en ga ik ten onder aan mijn eigen troebelheid. Daarom is het leven voor mij geen openbaring van een andere, maar een bewondering altijd door van mijn zelfportret. Zozeer dat ik niets anders meer bewonderen en beminnen kan.
Zo wordt het leven één groot echo-verhaal, waarin er geen plaats is voor liefde, voor verwondering en zegening. Waarin er finaal ook geen plaats is voor een God, die gaven geeft om ze door te geven. Voor een God die alles in beweging zet en mij oproept om, bewogen, mee te bewegen en iets te tonen van zijn groot geheim, dat steeds gedeeld en gebroken, gezaaid en vermenigvuldigd wil worden. Hij weet wat liefde is en verstaat niet dat ik het niet versta.
Mijn versleten, goor muntstuk zal mij ontnomen worden: het is gewoon gedevalueerd en uit de handel genomen. Ik heb immers één ding vergeten: ik heb vergeten te leven.
Leer mij voor één keer jaloers te worden op anderen: ze zijn niet beter, niet flinker of niet groter dan ik, maar ze hebben geleefd. Ze hebben het leven aangedurfd. Breek dan mijn geslotenheid open. Dat ook ik in uw Koninkrijk erkend mag worden als een mens, die niet voor niets heeft geleefd.