Ik had angst

A-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen


Op het eerste gezicht lijkt deze parabel heel duidelijk: wie werkt wordt beloond. Maar deze theorie van loon naar werken past niet goed in de mentaliteit van Jezus. Neen, deze parabel is geen pleidooi voor ‘hard werken’. Jezus heeft ook zeker niet willen spreken over hoe men zijn geld moet beleggen. De Heer is geen kille financier die het maximum wil halen uit elke belegging.

Ik denk dat wij de bedoeling van Jezus het best benaderen als wij onder het woord ‘talent’ de gave verstaan om een goed mens te kunnen zijn. Iedereen heeft van nature zijn talenten ontvangen van liefde, goedheid, inzet en dienstbaarheid.

Dan zien we dat het eigenlijk niet gaat om de eerste of tweede knecht, dat zijn maar randfiguren. Waar het om gaat is die derde man, die alles begraaft wat hij gekregen heeft. Die derde knecht koestert angst voor zijn heer. En omdat hij angst heeft voor zijn heer, is hij niet ontvankelijk voor vertrouwen en goedheid, hij beoordeelt zijn heer als hard en streng: ‘Ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt’. Hij beoordeelt hem zelfs als een dief, die oogst waar hij niet gezaaid heeft en binnenhaalt, waar hij niet heeft uitgestrooid. Omdat hij geen vertrouwen had in de heer, heeft hij zich de gaven van de heer nooit eigen gemaakt. Hij spreekt van ‘uw’ talent, ‘uw’ eigendom, bij zijn terugkeer werpt hij het de heer voor de voeten met de woor¬den: ‘Hier hebt gij ‘uw’ eigendom terug’. Die knecht was lui omdat hij niet begrepen had wat liefde doet. Bange mensen zijn kleingelovigen omdat zij niet kunnen vertrouwen op de goedheid van de heer.
‘Ik was bang’, uit pure angst weigert hij zijn leven voor de heer in te zetten. Hij verroert geen vin. Hij is al blij dat hij wat hij ontvangen heeft, niet verloren heeft. Juist dat wantrouwen, dat pijnlijk angstige gedrag, maakt de heer woedend.

Voor God bestaat er geen grotere belediging dan dat Hij beschouwd wordt als iemand die loert op de fouten van de mens. Deze houding is volgens Matteüs het grootste gevaar voor zijn christenen. De mens hoeft voor God nooit bang te zijn. God zal niet vragen naar drie of vijf talenten. Hij zal alleen vragen of wij met onze talenten gewerkt hebben. Of wij ons leven niet in passiviteit hebben laten wegvloeien. Wie angst heeft om te falen, faalt zeker, want hij doet eenvoudig niets meer. Hij doet misschien nooit iets fout, maar hij heeft ook niet echt geleefd. Juist dat wil Jezus niet. Wij hebben meer verdiend dan een leven vol angst. Angst leidt eigenlijk tot niets en brengt alleen maar achterdocht voort, zoals wij zien bij deze knecht. God is niet zo dat Hij van ons het driedubbele zal terugvragen van wat Hij ons gegeven heeft. Als wij omwille van Gods Rijk op aarde niets willen riskeren, dan sluiten wij ons zelf uit en staan we voor God met lege handen. Dat zou het ergste zijn.

Deze parabel over de talenten is de zoveelste illustratie van de rode draad die door heel het evangelie loopt: het is niet voldoende gedoopt te zijn en te geloven, je moet ook leven volgens je geloof en vruchten voortbrengen van goedheid, liefde, inzet voor anderen. Als God ons zoveel gaven geschonken heeft, dan is dat niet om die in de koelkast te leggen, maar dan moeten wij daarmee werken, zodat wij niet met lege handen voor God zullen staan. Wij mogen niet leven uit angst, maar uit genade en uit de liefde, die God heeft uitgestort in onze harten.

Zoeken in Preken Online