Soms stoort ons het prekerige spreken over het evangelie. Rabbi Jezus heeft het zeker niet zo bedoeld. Daarvoor weet Hij te goed wat de mens nodig heeft. Dat betreft vooral de lezing van dit stuk over de talenten. Wie vijf talenten heeft ontvangen, werkt en woekert met zijn vijf talenten. Wie er twee ontvangen heeft, laat deze twee talenten renderen. En die derde mens die och arme maar één talentje heeft, graaft een gat in de grond om het te ver¬bergen. Arme sukkel! Toch is hij de centrale figuur in het stuk.
Wie is de mens met het ene talent? Ik natuurlijk. Jij natuurlijk. Wij. Wie we ook zijn, we zijn vol faalangst tegenover de strenge meester, tegenover de oordelende rechter die God is. Ons handelen en onze verlamming om te handelen worden bepaald door zijn alziende oog. Zo is Hij de eisende instantie die mijn leven verstikt. Voor deze hoge instantie buig ik krampachtig het hoofd. Voor het over-geweld ga ik bevend door de knieën. De prent in onze cafés vroeger was natuurlijk goed en zelfs pedagogisch bedoeld: God ziet mij, hier vloekt men niet. Toch is deze spreuk zelf een vloek. God is geen surveillant, geen grootinquisiteur.
Komen we daarmee niet in de buurt van de juiste zin van de parabel? God vervloekt niet. De mens heeft schromelijk ongelijk als hij plooit en zwijgt omdat hij meent dat God hem vervloekt. God zegent mensen open. Wat jammer als we dat niet (kunnen) geloven. De mens met het ene talent uit de parabel is niet de ver¬nepen uitzondering. Wij zijn allemaal de mens met het ene talent. Het is alsof Matteüs tot die éne mens zegt: het bijbelse refrein ‘vrees niet’ was ook voor jou bedoeld. Waarom blijf je steeds kijken naar de hoge toren van de vijf en de twee? Waarom geloof je zo fanatiek dat je eigen bouwdoos leeg is? Je kan je eigen toren bouwen! Zo lezen wij deze parabel graag en meestal.
Maar kan het niet zijn dat deze lezing nog te psychologisch is? Kan Matteüs niet iets anders hebben bedoeld? Hij sprak toch voor mensen die de bergrede hadden gehoord? Wat hebben ze daarmee gedaan? Als we daarvan uitgaan, kantelt het hele verhaal. Dan wordt Jezus de mens met het ene talent. Voor Hem werd een gat in de grond gegraven. Mensen waren zo bang van zijn waarheid. Ze sloegen dit ene Godstalent over. Ze vergaapten zich aan de vijf boeken van Mozes en aan de twee talenten van wet-en-profeten. Dat rendeerde zogezegd zoveel beter.
Ze lazen dus de parabel liever verkeerd. Zij weten wat goed opbrengt in het religieuze bedrijf. Waarom zouden zij dan aandacht hebben voor die Jezus met dat ene talent, met dat ene woord: vrees niet? Wij houden ons liever vast aan wat vast en zeker waar is. Zwijg ons over Jezus. Voor Hem maken wij liever een gat in de grond. Dat alles om maar te zeggen dat je Matteüs niet mag onderschatten. Hij vertelt geen loze fabeltjes. Hij gaat naar de kern van de zaak. Hij heeft maar één vraag: wil je voor Jezus een gat in de grond graven, of mag hij je kleine talent openen?
Het zal je alleen maar tot zegen zijn!