De parabel van de talenten is meedogenloos. De laatste dienaar heeft meer dan gelijk: een dergelijke heer kent geen barmhartigheid. We sommen even op: de talenten worden ongelijk verdeeld, alles komt aan op rendement, er wordt naar verdienste beloond of gestraft en, als klap op de vuurpijl, de minstbedeelden komen er nog het slechtst af ook. Van opkomen voor de zwaksten is hier geen sprake. Integendeel, hier geldt de regel: ‘Aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft.’ Het welbekende Matteüseffect, dat veeleer in het hardste kapitalisme dan in het evangelie thuishoort. Waarom staat deze parabel er dan in? Wat is daar nog Blijde Boodschap aan?
Matteüs schrijft zijn evangelie voor een kerkgemeenschap die wat moe en futloos geworden is. De verwachte wederkomst van de Heer blijft uit en men gaat het allemaal wat gemakkelijk nemen. Om de mensen weer op gang te krijgen schrijft de evangelist dit onrustwekkende verhaal. Andermaal stellen wij daarbij spontaan de vraag: is schrik dan toch een goed middel om de Blijde Boodschap te verkondigen? Dat laten we hier even in het midden om te wijzen op iets wat in ieder geval waar is: mensen bekeren zich niet graag. Wij ontwikkelen allemaal een heel sterke weerstand tegen de eisen van het evangelie. Maar bovenal: we zijn grootmeesters in het omzeilen van onaangename waarheden. Daar wil de parabel nu juist tegen ingaan.
Dat de heer vruchten opeist, is een onontkoombare waarheid. Maar als we die waarheid losmaken van al de rest, dan wordt de parabel hard en meedogenloos. Dat is nu net wat de laatste dienaar doet. Hij is bang en alleen maar bang voor de strenge heer die eindafrekening houdt. Eén vraag stelt hij echter niet: ‘Waar heb ik dat talent vandaan?’ Toegegeven, het is er maar één, maar ik heb het niet zelf verdiend, ik heb het gekregen. Met andere woorden, de laatste dienaar vergeet dat hem bij het begin iets werd toevertrouwd. Zomaar. Hij is weliswaar dienaar, maar hij vergeet dat hij eerst het vertrouwen heeft gekregen van zijn heer. Als dat inzicht ontbreekt, wordt elke eis van de heer een onrechtvaardige uitbuiting. Speculeren over de mildheid van de heer bij de oogst doet hier niet terzake. Die mildheid was er in de zaaitijd! Ik heb gekregen en daarom moet ik geven! En mijn grootste fierheid zal erin bestaan dat ik inderdaad meer kan teruggeven dan ik gekregen heb. Daarmee zal ik kunnen bewijzen dat ik het vertrouwen dat de heer in het begin in mij stelde, inderdaad waardig ben. De angst voor de eindafrekening wordt weggenomen door het vertrouwen van het begin. Toen heeft de heer zomaar zijn bezit toevertrouwd aan zijn dienaren. Van wie veel gekregen heeft, mag de heer des temeer terugverwachten. De laatste dienaar had al geen vertrouwen bij het begin. Aan het einde heeft hij er zeker geen meer. Hem wordt helemaal ontnomen wat hij toen ook al niet had.