Matteüs is een evangelist, een Jood, een man van toespraken, een redenaar. Vijfmaal laat hij Jezus spreken: grote, sterke woorden. Woorden die beklijven, die oproepen, uitnodigen en uitdagen. Met telkens een vraag die ons kiezen doet: voor of tegen, meegaan of weggaan, volgen of achterblijven. Niet braaf noch soft, niet leuk noch lief… Het gaat om het Rijk der hemelen, om de aarde, om de mens, om geluk dat echt is en om vreugde die geen zoethoudertje is. Zoet is Matteüs nooit en nergens. Hij is een Jood, een mens van gerechtigheid.
Zo is voor hem Jezus: een gerechtige, een man van de diepe trouw, authentiek, waar en waarachtig. Zo is voor hem de mens: een rechtgeaarde, die het goede zoekt voor zichzelf, voor de wereld. Geen zacht of slap individu, maar eerder iemand die sterk is en wakker, en die weet dat het einde zeker komt en… dat het feestelijk zal zijn. Het einde is een bruiloft, een maaltijd en overvloed van vreugde.
De strenge woorden van Matteüs zijn echter niet zomaar streng omdat hij een moralist is, maar omdat hij de mogelijke voltooiing ziet: het leven in volle tooi. Daar gaat het om: hij tekent een weg, opdat wij eens zouden aankomen.
Voor Matteüs rijdt de mens naar een eindstreep, naar een aankomst. En in zijn 25ste hoofdstuk gaat het daarover: komen mensen aan de eindstreep? Rijden ze met of zonder olie? De helft denkt daaraan met de nodige ernst en zorg. De andere helft slaapt in: het zal ooit wel eens gebeuren. Ook als we niets hebben gedaan, is er een happy-end. Zo eindigt het verhaal van mensen toch altijd?
Dat gelooft Matteüs nu net niet; dat gelooft hij zelfs helemaal niet. Voor hem staat er in het leven teveel op het spel. Een mens mag niet niet meedoen. Dat is voor hem het grote fiasco. Wie er te gerust in is, vergist zich. Hij maakt zelfs de grootste fout van zijn leven. Hij geeft een wit blad af op het examen van het leven. Hij zorgt niet voor olie. Dat kan je één of twee jaar straffeloos doen, maar niet levenslang. Dan kan je in het uur van de pech, van de crisis, als het er werkelijk op aankomt, wel roepen en smeken: wij hebben geen olie, help ons uit de nood. Maar dan zal het te laat zijn. Het kan echt eens te laat zijn…
Dan zullen de anderen zeggen: wat je een leven lang hebt verwaarloosd, dat kunnen we je in één seconde niet zomaar geven… Waarom heb je toch niet begrepen wat ieder mens weet: als je eten wil op tafel, dan moet je kopen en koken? En als je een feest wil, dan moet je het voorbereiden?
Het leven is geen klucht. Het is misschien ook geen drama. Maar het is wel ernstig. Als je nooit naar de winkel gaat als hij open is, dan zal je ooit wel eens staan voor een deur die gesloten is.