Vrome joden dragen, nu nog, bij het gebed, stukjes van de Wet van Mozes bij zich. Ze binden ze vast in ‘gebedsriemen’ op voorhoofd en arm: ze herinneren hen aan de Wet bij al wat ze denken en doen. Ook dragen ze, met dezelfde bedoeling, kwasten aan hun kleren. Als de gebedsriemen te breed en de kwasten te groot worden, worden ze tekenen voor de anderen, opdat die zouden zien dat de dragers ervan altijd Gods Wet voor ogen hebben. Jezus herinnert zijn toehoorders eraan dat het beter is zelf in beweging te zijn dan moties te stemmen over anderen.
Vorige zondag hoorden we over het ene gebod van de liefde tot God en tot de naaste. Vandaag horen we over de verwording daarvan in het hart, de woorden, de daden van de schriftgeleerden en Farizeeën.
Wie niet in liefde leeft, vervalt in de slavernij van het gezag, dat hij dan absoluut moet handhaven. Hij stelt zichzelf boven de anderen en ziet niet dat hij een broeder is en dat God aller Vader is. Hij ziet niet dat hij een dienaar is en dat God aller Meester is. Hij ziet niet dat hij een leerling is en dat Jezus, de Messias, de Leraar is. Hij wil een gezag handhaven dat hij niet heeft en moet daarom voortdurend op zijn tenen staan. Hij wordt zelf de volmaakte, hij die het weet, die het is en die het heeft. Maar het is God die is, die alles weet en die alles heeft en meedeelt aan zijn kinderen.
Jezus hekelt de Farizeeën en schriftgeleerden, die die zware vergissingen in hun leven inbouwen, er zich in vastschroeven, er niet meer uit raken en zo steeds verfijnder vormen van onderdrukking, als van God komende, belangrijke verplichtingen, als moreel en godsdienstig bindende wetten aan het geweten van de mensen opleggen.
Zo hekelt Jezus nu alle priesters en leken die met hetzelfde sop overgoten zijn, die moties en boodschappen de wereld insturen en zeggen hoe het moet gaan in de Kerk en in alle uithoeken der aarde, die in raden en commissies en liturgieën op ‘de voornaamste zetels’ belust zijn, die kwaad zijn als ze niet voor elke beslissing geraadpleegd worden. Hun ‘gebedsriemen breed en hun kwasten groot’, hebben ze de mond vol van Gods wetten, maar laten geen teken van bekering zien.
‘Zij maken bundels van haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders’. Ze voeden met hun oordelen over structuren en met hun onzuivere alchimie waarin politiek godsdienst wordt en godsdienst politiek, het schuldgevoel van de eenvoudige mensen, die erkennen dat ze niet volmaakt zijn, die vrede bewerken in hun families, die hun buren op honderd manieren helpen en die weten dat hun gebed niet beter is en niet slechter dan hun dagelijks leven met zijn goed en zijn kwaad. Die eenvoudigen zijn de vele geroepenen, de motiefabrikanten, integendeel, die officieel en in brieven en kranten, nu deze mistoestand en dan weer een andere schijnheilig ‘betreuren’, zoals ze zeggen, terwijl ze in hun eigen leven niets betreuren, en ‘geen vinger uitsteken’ naar de lasten die anderen dragen of die ze aan anderen opleggen, zij zijn de weinigen, gelukkig, zoals gezegd, die zichzelf als de uitverkorenen aanzien.
Hoe streng is het woord van Jezus over dit alles: ‘Al wie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden’.
Als gij iets zoudt te zeggen hebben in synodes of theologische kringen, in comités of overlegorganen, denk dat het Woord, Jezus zelf, de Leraar, van uw woorden en daden rekenschap zal vragen. Het is van groter belang iets mee te doén, dan medezéggenschap te verkrijgen. Jezus laat op zijn eerste reeks verwijten volgen: ‘Gij sluit het Rijk der hemelen af voor de mensen. Zelf gaat gij er niet binnen, terwijl gij hun die dit wel willen de toegang verspert’.
De Farizeeën beletten de mensen in de Kerk te blijven of beletten ze tot de Kerk toe te treden.