De voornaam van de kerk

A-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

Het is vreemd als priesters aan elkaar vragen om toch niet met de voornaam te worden aangesproken als er ‘leken’ in de buurt zijn. Wat steekt er achter die klerikale angst? Nu, er zijn ook ‘leken’ die liefst met meneer en mevrouw worden aangesproken. Zij zijn onder andere allergisch voor een persoonlijke hartelijke vredeswens. Misschien is dat alles voer voor psychologen? Tot daar toe. Toch gaat het vandaag over dat woord ‘gij zult u geen rabbi laten noemen’. Zoiets horen wij graag. Vlotte democratische omgangsvormen zijn ons dierbaar. Zowat overal ter wereld is dat zo. Heeft het evangelie te maken met deze soms kwajongensachtige democratisering? Of gaat het om een vraag die onze beleefdheidsvormen overstijgt?

Wat Jezus zegt over de voornaam is niet ingegeven door sympathie en jovialiteit. Hij is veeleer een vriend dan een kameraad. Hij had een bepaalde ervaring met de plechtigheid van plechtige mensen: die plechtigheid is namelijk niet altijd betrouwbaar. Een bepaalde gewichtigheid functioneert als een masker of als een scherm. De gewichtige rabbi-mens heeft blijkbaar een schild nodig om de mensen op te delen in hoger en lager… om duidelijk te maken dat er een kloof is tussen God en mens. Die kloof kan enkel worden overbrugd als de clerus en de rabbi mogen bemiddelen. Zij staan sowieso aan Gods kant. Daarover zegt Jezus iets in het evangelie van Matteüs.

De schriftgeleerden en de farizeeërs stellen zich voor als mensen die staan tussen God en mens. Zij beheren Gods woord voor de mensen en ze delen Gods gaven uit als mensen er respectvol om vragen. Jezus betrouwt die trouw van Gods trouwe bedienaars niet altijd. “Zij leggen de mensen ondragelijke lasten op de schouders maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken.” Zij willen geëerd en vereerd worden, gegroet en begroet. Zij willen geplaatst worden op de ereplaats. Zij willen met ‘eerwaarde’ worden aangesproken. Jezus zegt dat niet omdat Hij een propagandist is van losse omgangsvormen. Hij zegt dat omdat Hij iets zeggen wil over God. Dat is voor Hem het punt.

Voor Jezus is er niemand op aarde die met Gods goedkeuring apart gesteld is, immuun voor alles wat des mensen is, ongenaakbaar omdat hij aan Gods kant staat. Wij allen, bisschoppen en zusters en paters en priesters, leden van de kerkfabriek en koordirigenten, voorzitters en voorzitsters - als wij voor God staan, zijn wij allen dezelfde bedelaars. In gewoon Vlaams gezegd: wij zijn allen in hetzelfde beddeke ziek.

Voor elke kardinaal heeft God één geliefde naam: zijn doop-naam. Die naam staat geschreven in de palm van zijn hand. Dat geldt ook voor de naam van het meisje hier naast mijn deur. Voor elke Joris en iedere Carine. Voor God is onze doopnaam de naam die Hij het liefst onthoudt en uitspreekt. Mag het voor ons niet een oproep zijn om de ernst van het doopsel ernstig te nemen? Bouwen wij voor de toekomst onze pastoraal niet beter op onze doop? Waarom zo koppig uitgaan van het priesterschap en al de vragen daaromtrent?

God schrijft onze voornaam met hoofdletters.

Zoeken in Preken Online