In het hart van iedere godsdienst is een tabernakel, een altaar, het heilige der heiligen, een ark van het verbond, het mysterie, het goddelijke, het ontoegankelijke. Dat is altijd en overal in iedere godsdienst.
En dat hart van iedere godsdienst wordt angstvallig bewaakt. Niemand mag het betreden, behalve geheiligde, afgezonderde personen. Het wordt omgeven met grenzeloze eerbied, met wierook, goud en edelstenen. Huis van God, staat op de poort geschreven. Uw Meester is hier. Mijn Heer en mijn God. Dat is in alle godsdiensten. Want God woont daar, de alleen-heilige, de heel andere, de bovenmenselijke, in zijn ontoegankelijke licht. Dat is in alle godsdiensten, behalve in het christendom.
Want in het christendom heeft God zijn plaats gedeeld, is God op zijn troon wat opgeschoven en heeft Hij de mens naast zich gezet op diezelfde troon, in datzelfde tabernakel, in datzelfde heilige der heiligen, datzelfde altaar van aanbidding. En op de poort van het christendom staat geschreven: Gij zult ons beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, en met al uw krachten. Ons. Niet mij, maar ons.
En dat tabernakel, dat heilige der heiligen dient ook angstvallig bewaakt en omgeven te worden met grenzeloze eerbied. Zo is het in het christendom. Althans: zo moet het zijn.
En nu is het niet alleen de priester, die dit heiligdom met grote eerbied mag betreden. Nu is het elke mens, die een mens ontmoet. Dat bedoelt Jezus als Hij zegt: ‘Het tweede gebod is gelijk aan het eerste.’
Deze uitspraak van Jezus moeten wij lezen tegen de achtergrond van heel Jezus’ leven. En dan moeten wij goed kijken wie er naast God op die troon zit. Dat is onze naaste.
En wie is, volgens Jezus, onze naaste? Heel zijn leven heeft Jezus dat begrip alsmaar groter gemaakt. Onze naaste is volgens hem niet alleen onze volksgenoot, niet alleen onze geloofsgenoot, onze vriend of vriendin. Onze naaste is de zondaar, de overspelige, de melaatse, de tollenaar, de mens aan wie wij een hekel hebben, die wij niet uit kunnen staan, die ons iets ergs heeft aangedaan, zoals de moordenaar op het kruis.
Hij zit naast God. In het hart van onze godsdienst, in het heilige der heiligen, in het tabernakel. En deze plaats moet omgeven worden met de grootste eerbied. En op de poort van dat heiligdom staat geschreven: ‘Gij zult ons beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en al uw krachten.’ Ons. Niet mij, maar ons.
Dat is precies waaraan het christendom herkend zou moeten worden.