De Farizeeën komen met een vraag om Jezus op de proef te stellen. Ze doen dat op een nogal eigenaardige manier, want hoe zouden ze Jezus in de val kunnen lokken als het antwoord toch voor de hand lijkt te liggen?
Geef aan de Farizeeën wat hun toekomt. Ze kenden de wet grondig en trachtten die ook echt te onderhouden. De wet vertolkte immers de wil van God. Daarmee diende rekening gehouden te worden in alle omstandigheden van het leven, en het leven bestaat nu eenmaal uit talloze kleine taken, voorvallen, toevalligheden, verplichtingen en noem maar op.
God echt ernstig nemen is dan ook geen vaag gevoel of een welwillende gedachte. Het betekent jezelf in alle omstandigheden de vraag stellen wat God van je verlangt. Waar, wanneer en hoe hoor je te bidden? Wat is passend in de omgang tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen volksgenoten en vreemdelingen? Daar waren de Farizeeën mee bezig. Gevolg: er ontstonden massa’s voorschriften. Dan duikt onvermijdelijk de vraag op: wat is nu eigenlijk de kern van de zaak? Waarop komt het in laatste instantie aan? Waar hangt het allemaal aan vast?
Wat men ook over de Farizeeën moge beweren, vrijblijvende zoekers of halve ongelovigen waren ze niet. Zoveel is zeker: ze waren toegewijde godsdienstige mensen. Als het in het geloof niet op grote woorden aankomt, maar op wat je concreet doet, dan kan de vraag opkomen naar hét grote woord achter alle kleine woordjes, de vraag naar hét werkwoord in al ons bezig zijn. Het antwoord op die vraag moet dan wel juist zijn, want veel, zo niet alles hangt ervan af. Met een dergelijke vraag kan men inderdaad iemand aan de tand voelen.
‘Beminnen is het grote werkwoord,’ zegt Jezus. God en de mensen beminnen. Liefhebben is het ene werkwoord dat in alle andere werkwoorden van het leven vervoegd moet worden. Meteen is ook gezegd dat liefde voor Hem geen romantisch gevoel is dat je plotseling kan overvallen. Liefhebben is een nuchter werkwoord, maar dan wel een heel groot. Misschien nemen we het daarom beter niet elke dag in de mond. Daar is het te groot voor. Maar het moet wel in de vele kleine werkwoordjes van elke dag vervoegd, in duizend kleine dingen van alledag vertaald worden. Dat is de zakelijke kant van het liefhebben in Jezus’ lijn.
In de parabel over het laatste Oordeel (Mt 25,31-46) valt het grote woord niet. De Heer vraagt niet: ‘Heb je Mij liefgehad?’ Wel zegt Hij: ‘Ik was hongerig, dorstig, naakt, ziek… wat hebt gij gedaan?’ In de parabel van de barmhartige Samaritaan gaat het over olie en wijn, een rijdier en geld, maar het grote woord valt niet. Het zit verborgen in al die kleine werkwoorden en gewone dingen. Jezus dient de Farizeeën van antwoord met het dubbelgebod. Daaraan hangen alle andere vast. En van die verankering hangt het af of de vele kleine werkwoordjes in het gelid blijven lopen.