Niemand twijfelt eraan dat de liefde tot God het eerste en het hoogste gebod is en elke eerlijke mens zal ook aanvaarden dat hij zijn naaste moet liefhebben, zoals zichzelf. De moeilijkheid begint pas, wanneer je zoals deze wetgeleerde, de vraag gaat stellen: welk is het voornaamste gebod van de wet?
Jezus kan dingen die in de praktijk schijnbaar heel moeilijk op te lossen zijn, door een heel eenvoudig woord verhelderen, waardoor de dingen teruggeplaatst worden op hun diepste fundament. Wij denken b.v. aan zijn meesterlijk antwoord op de vraag: wie is mijn naaste? of: is het geoorloofd belasting te betalen? Zo geeft Jezus ook hier weer een meesterlijk eenvoudig antwoord, door het tweede gebod gelijkwaardig te verklaren met het eerste gebod. De twee geboden stonden reeds in de Schrift, maar ze stonden wel apart, in een ander boek, op een andere bladzijde, zou je zeggen. Het gebod van de naastenliefde staat maar een keer op een tamelijk onbekende plaats in het Oude Testament (Lev.19,18) en dat koppelt Jezus hier onverbrekelijk met het gebod van de liefde tot God, zodat deze twee niet meer te scheiden zijn. Als je tegenwoordig een openbaar gebouw binnengaat, zijn daar vleugeldeuren, die ofwel samen open, ofwel samen dichtgaan, maar altijd samen. Zo is het ook met het gebod van de liefde tot God en de liefde tot de naaste, die twee komen samen in beweging. Als je tekort schiet in je liefde tot de naaste, schiet je ook tekort in je liefde tot God en als je tekort schiet in de liefde tot God zul je het gebod van de liefde tot de naaste nauwelijks nog kunnen vervullen. De rechten van de mens en de rechten van God zijn niet te scheiden, zozeer heeft de Schepper zich geïdentificeerd met zijn schepsel, de mens.
In theorie zal elke christen deze gelijkwaardigheid van de twee geboden wel aanvaarden, maar in de praktijk zullen zij ertoe altijd toe neigen ze van elkaar te scheiden. Wij kennen allemaal mensen die voorbeeldig zijn in hun gebed en in hun trouw aan de eucharistievieringen, maar in de daadwerkelijke beleving van de naastenliefde en in het broederlijk delen kunnen zij een flink stuk tekort schieten. Als dat bij anderen gebeurt ergeren wij ons daar dan wel over en vragen ons af: wat haalt al dat bidden dan uit? Maar bij onszelf zien wij die kloof niet zo vlug en stellen wij ons hart gerust in het bewustzijn dat we tegenover God toch wel onze plicht vervullen. Johannes zou aan zulke mensen de vraag stellen: Hoe kun je zeggen dat je God liefhebt als je je broeder haat? Dan ben je een leugenaar. Want als je je broeder, die je ziet, niet liefhebt, hoe kun je dan God liefhebben, die je nooit gezien hebt?
Er zijn ook mensen die schijnbaar uitmunten in naastenliefde en zich loyaal inzetten voor recht en gerechtigheid in deze wereld, en die toch niet met God, noch over God willen spreken. Als ze werkelijk de naaste liefhebben, dan hebben ze ook werkelijk God lief, ook als zijzelf dat niet weten. Bij het Laatste Oordeel, zegt Jezus, zullen er mensen zijn, die Hem verwonderd zullen vragen: Heer wanneer hebben wij u hongerig, of dorstig of gevangen gezien? Jezus zal hen dan antwoorden: ‘Al wat je gedaan hebt voor een van deze geringsten van mijn broeders, heb je voor Mij gedaan’. Wij kunnen ons wel de gerechtvaardigde vraag stellen of het mogelijk is de naasten onbaatzuchtig lief te hebben zonder liefde tot God. Zulke naastenliefde zal zich heel vlug ontpoppen als eigenliefde, of als dat echt niet het geval zou zijn, dan zal zulke naastenliefde, als zij zich niet voortdurend voedt door de liefde tot God, heel vlug verwateren tot ontgoocheling en mismoed. Voor de mensen die het gevoel hebben dat zij eigenlijk tekort schieten in hun liefde tot God, omdat zij zich dreigen te verliezen in werken van naastenliefde, kan dit evangelie een troost zijn: als je de naasten oprecht liefhebt en dient, dan bereik je God zelf in je dienst aan de naasten.
Voor de mensen die in al hun gebeden de liefde tot de naasten vergeten - gewoonlijk zullen zij dat zelf niet weten of zeker niet toegeven - kan dit evangelie een waarschuwing zijn. Door een gebed, dat los staat van de zorg om de naasten, kun je God niet bereiken. God zul je het gemakkelijkst ontmoeten door je liefde tot je medemens, hetzij dit je man, je kinderen of je buren zijn, hetzij dit de armen in ons midden, of de noodlijdenden in de wereld zijn. Maar een gebed zonder daad is leeg. Jakobus zegt: ‘Zoals het lichaam dood is zonder ziel, zo is het geloof zonder de daad dood. Wat heeft het immers voor zin als je tegen een arme zegt: geluk ermee, houd je warm en eet maar goed, als je niets zou doen om hem in zijn stoffelijke nood te helpen?’