30e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Na een ellendige tijd in Egypte, een zwerftocht van veertig jaar vol ontberingen, tegenvallers, twijfels, ruzies, honger en dorst, bereikt het joodse volk eindelijk het door God beloofde land. Daar vinden ze rust, geluk en daar raken ze in goede doen.

Maar juist dan, waarschuwt Mozes de mensen: Jullie mogen vreemdelingen niet slecht behandelen en hun het leven niet zuur maken. Je hebt zelf als vreemdeling gewoond in Egypte. Je weet dus wat het is. Doe geen onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen en andere mensen die in de kou zijn komen te staan. Je hebt lang genoeg zelf niet te eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit. Vergeet dus nooit wat je hebt meegemaakt en wat je aan God te danken hebt nu je hier in vrijheid leeft en niets meer tekort komt.

Mensen die hun verleden, zich hun eigen komaf, niet meer herinneren, zijn vaak onuitstaanbaar en dikwijls liefdeloos. Mensen die rijk geworden zijn en dan vergeten wie ze waren en waar ze vandaan komen en zich een air aanmeten dat je denkt: waar halen ze het vandaan. Hij is zeker vergeten dat ze vroeger met zijn vieren één fiets moesten delen; hij weet zeker niet hoe zijn ouders, eenvoudige mensen, hebben gewerkt en geleefd. Of mensen die een goed stel hersens hebben meegekregen, die gestudeerd hebben en zich tot de intellectuelen zijn gaan rekenen en nu niet meer met hun ongeletterde familie kunnen praten. Zo’n houding lijkt me liefdeloos en met al hun geld zijn ze arm, met al hun titels niet goed wijs.

Heerlijk is het als je mensen ontmoet die echt iets bereikt hebben, maar hun eenvoudige afkomst niet verloochenen. ‘Dit is de badkamer’, vertelde me iemand die vol trots zijn nieuwe huis liet zien, ‘hier moet ik altijd aan ons moeder denken, die ons in bad deed in een teil op twee stoelen’. En iemand die al een paar boeken op zijn naam had staan, vertelde me trots over zijn vader, die niet méér las dan de kerkberichten, maar een levenswijsheid had ‘om U tegen te zeggen'.

Als je in betere doen raakt, moet je nooit je komaf vergeten, je afkomst niet verloochenen, zo zegt Mozes al tegen zijn mensen. En - zo zegt hij erbij - mogen we ook niet vergeten dat wat we bereikt hebben niet helemaal aan onszelf, maar voor een groot deel ook aan God te danken is.

Weten wie je was, wat je zelf aan nare dingen hebt meegemaakt en dankbaar zijn jegens God die je er doorheen gesleept heeft, dat kun je niet beter laten blijken dan door die mensen de helpende hand toe te steken die nu doormaken wat jij ook hebt doorgemaakt en wat je nooit vergeten bent.

Omdat het eerste en tweede gebod aan elkaar gelijk zijn, kunnen we God niet beter dienen, danken en eren dan door mensen in ere te houden, soms in ere te herstellen en eerlijk te behandelen. Als je zelf wel eens in de kou bent gezet, weet je het beste hoe je mensen wat warmte kunt geven. Als je zelf wel eens naar adem moet snakken of in de familie mensen hebt die het soms erg benauwd hebben, geef je makkelijker aan het Astmafonds en als je zelf honger hebt gehad of ondergedoken hebt gezeten, zul je mensen die nu hetzelfde meemaken niet zo gauw doorsturen.

Willen we goed met elkaar omgaan dan is het goed je te realiseren wat je zelf is overkomen of kan overkomen.

Zoeken in Preken Online