Soms ben ik zo blij dat ik in deze tijd mag leven… Wij zijn bevoorrechte mensen.
Zich vrij kunnen bewegen in een landschap van geest en cultuur, kunnen kennis opdoen en kunnen deelnemen aan alles waartoe een mens in staat is op gebied van kunst en lichaamsontplooiing en ontspanning, met alle middelen die ons vandaag daarvoor ter beschikking staan.
We noemen dat met één woord : vooruitgang.
Maar onmiddellijk roept dit woord ook een vraag op. Vooruitgang in welke richting ?
De geestdrift om deze vooruitgang wordt getemperd als we denken hoe beperkt deze is. Deze vooruitgang speelt zich enkel af in Europa en Noord-Amerika en voor de rest van de wereld is er hoofdzakelijk uiterste armoede, corruptie en moordende conflicten.
Deze vooruitgang is dan nog het voorrecht van diegenen die het goed hebben in deze samenleving, maar al die anderen die gebrek lijden in een maatschappij van overvloed, en die met een bang hart de winter zien aankomen.
Er ontbreekt iets aan onze vooruitgang. Waarom is juist hier zo’n drugprobleem ? Waarom moeten juist hier abortus en euthanasie gelegaliseerd worden ? Waarom liggen de zelfmoordcijfers hier zo hoog ? Waarom wordt juist in de moderne kunst zoveel cynische wanhoop tentoon gespreid? Dat doet vragen stellen naar de kwaliteit van deze vooruitgang.
Waar is die eigenlijk op gebaseerd ? Wat is het geloof dat deze samenleving in beweging houdt ? Is dat het geloof in de wetenschap ? Of is dat veeleer het geloof in het geld : dat met geld alles kan opgelost worden ? Of is dat het geloof in de macht, de macht van de wapens, of de macht van de terreur ?
In het evangelie van vandaag botsen wij op de ultieme testvraag, de vraag naar de laatste grond waar een samenleving op gebouwd wordt. En dat is de liefde, zegt het evangelie.
“Wie gelooft daar nog in ?”, zal je misschien zeggen. Inderdaad we hebben dat geloof verloren. Het is trouwens de diepste oorzaak van de malaise in onze kerkgemeenschap.
Vele mensen kunnen niet meer geloven in dat oudste en eerste en voornaamste gebod : ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met al uw krachten. En uw naaste als uzelf om God.’ God wordt opzij geschoven en dat brengt veel meer teweeg dan alleen maar een kerkachteruitgang. Zo wordt het leven opzij gezet.
Liefde is hier immers niet gevoelsmatig bedoeld maar wel als een daadwerkelijk en positief aankijken tegen het leven. Dat leven liefhebben, dat leven van jezelf en van de anderen liefhebben, omdat je er God achterziet die er de oorsprong van is.
Heb het leven lief, heb je medemensen lief en beschouw al de rest als betrekkelijk of bijkomstig. Dan is ook de vooruitgang betrouwbaar menselijk, dan is dat materiaal om er geluk van te maken, ook voor diegenen die nu nog uit de boot vallen.