Als uzelf

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen


Teksten van eeuwen geleden waar geen woord Grieks bij is: weduwen, wezen, vreemdelingen…, wees er goed voor. Herinner je eigen afkomst! Heel goed verstaanbaar voor nu. Want wij in onze tijd… we kennen ze nog steeds: vluchtelingen, vreemdelingen, weduwen en wezen, evengoed als toen. En dezelfde oproep geldt nog steeds: geef die mensen de plaats die ze toekomt, want je bent zelf ook maar een mens en kwetsbaar. Het evangelie komt tot dezelfde conclusie: dien je medemens, houd hem hoog, geef hem de plaats die hij verdient en zo bemin je God. En als je God wilt beminnen dan kun je niet anders dan kijken naar je medemens. Het hart van ieder voorschrift, van elke wet, moet zijn dat het de medemens dient en zijn geluk.

In de bijbel heeft het beminnen nog niet die bijbetekenis van ‘lief’, ‘aardig’ en teder. In de bijbel betekent beminnen: trouw zijn! Trouw zijn aan je medemens, hem het leven gunnen. En dan is dat heel concreet: zijn bedekking voor de nacht niet afnemen of als je hem geld leent, dat niet doen uit eigen belang. Twee geboden die bij elkaar boren: als je het geluk van je medemens aantast, dan tast je God aan en dan zal het je slecht vergaan, zegt de eerste lezing. En het evangelie zegt: maak Gods liefde en mensenliefde niet los van elkaar, want ze zijn één vlees. Want als je ze van elkaar losmaakt, zegt de bijbel, dan maak je de weg vrij voor het eigenbelang. Dan kan het wel eens zijn, dat je in plaats van God te plaatsen in het middelpunt van je leven of je medemens, in de kortste keren zélf het middelpunt bent en denkt, dat het leven alleen maar om jou draait en dat alles jou moet dienen.

Liefhebben in de bijbel, dat is jezelf uít het middelpunt plaatsen, de ánder daar neerzetten, je oriënteren op de ander. Maar hoeveel mensen lopen er niet rond, die van alles nodig hebben om zichzelf zichtbaar en hoorbaar te maken. Vreemd gedrag, vreemde kleren, veel te veel van het goede der aarde. Altijd meer, nooit rust en daardoor nooit aan zichzelf toekomen. Jezus zegt: de basis voor je liefde tot de naaste en God is goed zijn voor jezelf. Hij spreekt niet in het algemeen maar heeft het tot ieder van ons heel persoonlijk. Hij probeert mensen die eigen liefde te schenken die hen brengt bij de rijkdom die ze van oorsprong bezitten. Hij ziet mensen aan: één lamme, één blinde, één bezetene. Hij ziet voorbij aan hun gebrek.

“Jij bent genezen”, zegt Jezus, “want Ik leg op jou de naam van God. Ik ben er voor jou.” Dat was de naam aan de joden geschonken toen ze vroegen tot wie zij moesten bidden. “Hoe is Uw naam?” “Ik ben er voor jou.” Iedere mens krijgt die naam mee bij zijn geboorte als het goed is. Mensen die zeggen en doen: ik ben er voor jou. Als een mens dat gegeven wordt door zijn ouders en opvoeders, als hij of zij gezien en gehoord wordt, dan kan hij die naam verder spreken naar zijn naaste, zijn partner, zijn kind, zijn buurman of familielid. Zo sprak Jezus de godsnaam uit over de mensen van zijn omgeving. Zo ontvangen ze een zending: spreek verder, kijk verder, luister verder. Leg die godsnaam - al doende - op je medemensen. De Godsliefde volgt dan vanzelf. Want dan is God geen boeman meer, maar de liefdespartner aan

Zoeken in Preken Online