‘God liefhebben en de naaste als jezelf’. Ach ja, dat woord kennen we nog. Daar kwam alles op neer, dachten we te weten; - hoefden we ook niet verder te denken. En die samenvatting van ons geloof was een eersteklas-vondst van Jezus himself. Leve Jezus; - konden we meteen dat zogenaamde Oude Testament terzijde schuiven, afgedaan.
Fout. Jezus verzint niet. Hij lééft van dat Eerste Testament en put er zijn geest-kracht uit. En geheel in de trant van de rabbijnse discussies van zijn dagen citeert hij, verwijst terug, zoekt hij in wet en profeten het zinsverband van zijn bestaan.
Akkoord. Maar heeft Jezus intussen niet de liefde geproclameerd tot het hart van die oude wet, tegenover Israël dat zo vermoeiend de nadruk legde op daden van gerechtigheid? Leve de liefde, en de mantel der liefde, en de goede bedoelingen, de harmonie en de lieve vrede!
Fout. Jezus heeft geen andere God dan de God van Israël: van liefde en gerechtigheid, warmte en daadkracht inéén. Een tegenstelling creëren tussen die twee is goddeloos, en tot welke goddeloze haat en ónrecht dat leiden kan hebben we geweten. Dorothee Solle zegt: ik mag en kan geen woord meer over God zeggen zonder te denken aan Auschwitz.
Liefde en recht inéén: akkoord. Maar al die geboden en vérboden dan in het Oude Testament: die ballast heeft Jezus toch afgeschaft? Leve de vrijheid en de vrijblijvendheid!
Alweer: fout. Mensen die dat beweren zijn in de war met ándere ge- en verboden, kerkelijke bijvoorbeeld. Met woorden uit angst geboren en op macht gericht. Met wetten die dwingen en kleinhouden, met opgeheven vingertjes tot tussen de lakens toe.
De strekking van de Thora, de ‘Wet’ van Israël, is heel anders. Thora betekent: ‘voor ons uit geworpen’, ‘pro-ject’. Een vermoeden van toekomst op het heden gelegd, een visioen geprojecteerd op het daglichtscherm van vandaag. Geen machtswoord maar vrijheidswoord. Geen wantrouwige wijsneuzenrij maar richtingwijzer. Geen wet om bovenop te gaan zitten maar een begaanbare weg. Geen stok achter de deur van het eigen groot gelijk, maar een droom van nieuwe verhoudingen voor je uit. Geen ballast, maar leeftocht. Een wetboek-van-strafrecht kun je respecteren, dogma’s kun je aannemen; maar je kunt er niet van houden. Van de Thora wel, als van je moeder, je dochter, je lastige en liefste gezellin. Met moraalhandboeken kun je niet dansen, met de Thora wel.
Om die uitspraak ‘God liefhebben en de naaste als jezelf’ goed te begrijpen moeten we terug naar dat Eerste Testament, de Thora. In die verzamelbundel die wij Bijbel noemen, staan ook gewone wetten opgetekend. Regels voor de goede orde, voorwaarden, afspraken, sancties om de chaos te bezweren en de samenleving te ordenen. Noodzakelijk en nuchter: regelgeving op het terrein van gezondheidszorg, landbouw en veeteelt, eigendomsrechten, huwelijksmoraal. Dat soort wetten vond je in die dagen overal bij zich settelende volkeren, daar is weinig specifieks of uitverkorens aan. Tijdgebonden regels zijn het, gebaseerd op gebleken minimale rechtvaardigheid, op precedent en jurisprudentie. Liefde en gerechtigheid zijn daar niet in het spel, hoogstens de tucht die het reeds bereikte vasthoudt en een minimum garandeert.
Maar tussen deze regels door is ook een ander soort ‘geboden’ te vinden in de Thora. Niet garanderend maar motiverend. Niet tijdgebonden maar geschiedenisgebonden. Ze beginnen met het woord ‘je zult…’. Dat is niet louter gebiedende wijs. Het trekt de consequenties vanuit Israëls verleden: ‘Je zult… je eigen slavernij en bevrijding serieus nemen’. Het is tevens een belofte: ‘Zo zul je volk worden van mijn project, zo gaat er toekomst open’. Dit is de Thora op zijn best, hier klinkt Gods eigenste stem, hier is Israël uniek in. Op deze woorden grijpt Jezus van Nazaret terug, beter gezegd: deze woorden gaan voor hem uit. Het zijn woorden zoals we hoorden in de eerste lezing, het zijn woorden die je koesteren kunt, meedragen en dóen. Ze kunnen je leven richting geven, vuur, nieuw licht over de aarde.
‘God liefhebben en de naaste als jezelf’. Welke naaste? De vreemdeling, want die is als jij. Weet je nog? Zelf was je vreemdeling in slavenland. Weduwen en wezen, rechteloze mensen, bijstandstrekkers. Die zijn als jij. Weet je nog? Zelf was je zonder rechten, afhankelijk van farao’s luimen. Armen. Die zijn zoals jij was: het enige wat je had was je onderlinge solidariteit - en wie praat er dan over rente? Mensen ontdaan van mantel en dekking. Die zijn zoals jij was: zo kwetsbaar en ontbloot.
Zo krijgen liefde en gerechtigheid een nieuwe basis. Wie aan hen komt, zo suggereert de Thora, komt niet alleen aan hen, maar ook aan de Enige, Bevrijdingsgod. De identiteit van God is onlosmakelijk verbonden met die van de minsten der mensen. God is die minste naaste. Maar ook de eigen identiteit van het volk is in het spel: die minste naasten houden ons een spiegel voor. Als wij hen laten vallen, nemen we onze eigen geschiedenis niet serieus en snijden we onze eigen toekomst af. Als een boemerang zal het onrecht op onszelf terugvallen en ons ontbinden en vervreemden. De vreemdelingen, weduwen en wezen, arme en ontmantelde mensen zijn zo geen objecten van liefdadigheid, geen uitzonderingen op de algemene welvaartsgroei; ze vormen niet het sluitstuk van de begroting waaraan je met Kerstmis een extra uitkering geeft; nee, ze vormen de normerende instantie. Hun stem is Gods stem, om ons, door ons heen. hun gezicht is Gods aangezicht. Hun machteloze absolute roep om recht is Gods enige almacht. Wie God wil liefhebben en wie mensheid naar Gods beeld wil worden, beginne bij de minste mensen; en anders laat maar zitten. Laat dan jezelf maar zitten in je bezetenheid, je vervreemding, je geharnaste kwetsbaarheid.
In deze traditie werd Jezus van Nazaret groot, vond hij zin, was hij gelukkig. Hij koos ervoor; en dat is geestdriftig herkend door het volk van ongeletterden, rechtelozen, armen. Hij leefde ervan en stierf erin: als een slaaf aan het kruis, als een wees die riep: ‘God mijn God, waarom mij verlaten’, als een beroofde, van zijn mantel en dekking ontdaan. Zo is hij ons doorgegeven: als de parabel van Israël en de Thora, als een onsterfelijk verhaal van ontlediging en vervulling, als de droom van ‘mensheid naar Gods beeld’.
Een verhaal om door te geven. In brood en beker, honger en dorst. In een samenleving vol asielzoekers en vreemdelingen, bijstandsmoeders en straatkinderen, armen dichtbij en verweg, ontredderde en kwetsbare naasten; mensen als jij en ik. Een droom die mij lastigvalt, bevrijdt, tot mijzelf brengt. Een parabel om te doen: liefde is te doen.