Over liefde spreken is moeilijk. De woorden zijn versleten door overvloedig gebruik. Ook door onzorgvuldig gebruik. Liefde wordt vaak gebanaliseerd door sentimentaliteit. Soms vraag ik me af of al de hartjes achteraan op onze wagens het allemaal niet te lief en te goedkoop maken. Ik kan moeilijk mijn ziel verkopen aan honden en tennis en snooker en aan nog vijftien andere ‘belangrijke’ dingen meer. Onze woorden zouden best eens teruggestuurd worden naar één of ander laboratorium voor bloedonderzoek. Misschien vinden we enkele sporen van bloed-armoede?
In de loop van de geschiedenis zijn er figuren geweest die de liefde hebben vereeuwigd. Zij waren meestal zeer sober en bescheiden. Zowel bij de Latijnen als bij de Grieken, zowel bij de Germanen als bij de Arowaks zijn er monumenten van gedichten en liederen over de liefde. Ook bij de Semieten, onze voorouders in het geloof, zijn er van die eeuwige melodieën, muziek voor miljoenen. Ze staan te lezen in het Hooglied, in de psalmen en bij Paulus. Allemaal heel mooi en heel menselijk.
In die lijn lezen wij vandaag twee teksten: uit het boek der uittocht en bij Matteüs. Het gaat telkens om liefde op twee sporen. Het is ook danig concreet. Het gaat over weduwen en wezen, over vreemdelingen, over iemand die een kleed leent, over doven en blinden. Dat is het eerste spoor: het spoor van mens tot mens. En God heeft daar van nabij mee te maken. Dat is het tweede spoor. In het gelaat van de mens ziet de mens het gelaat van God. En andersom.
Dat is een groot en een moeilijk geheim. Het is moeilijk omdat wij zo éénsporig bestaan en het bezwaarlijk anders kunnen. Tussen God en mens doen wij zo gemakkelijk aan apartheidspolitiek. God is de instantie die wij contempleren en waarvoor wij ons geweten verantwoorden. De mens is de instantie die wij willen ontmoeten en helpen en steunen. Maar hoe vinden die twee elkaar? En hoe vinden wij ze samen in één beweging? Dat is een diepe evenwichtsoefening. Voor de moderne mens is deze oefening alles behalve vanzelfsprekend. Wij zullen in een goede school ons vak degelijk moeten leren.
In die goede school zouden wij kunnen leren dat God een open mysterie is: geopend op de aarde en de mens. God ademt niet in een gesloten circuit. Hij is een open toegankelijke ruimte waarin de namen van de mensen worden gespeld. Mensen die goed horen, beluisteren deze woorden. De namen van de mensen staan geschreven in de palm van zijn hand. Mensen die goed zien, kunnen deze namen lezen. Zo wordt ook het mysterie van de mens geopend. Wij lezen in zijn schreeuw, in zijn pijn en in zijn blije lied dat ook de mens een open mysterie is. Hij staat open op gezegend-worden, op geliefd-worden, op bevrijd-worden. En hij verwacht dat van broeders en zusters die stil hoorbaar zeggen, dat God geen vreemde is, maar een zeer bescheiden vriend. Hij doet ons geen zeer. Hij drukt niet op onze broosheid.
Zo lopen de sporen in elkaar.