30e zondag door het jaar A (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Leidraad van ons leven:
Houd van God en van je naaste
als van jezelf.

De Heer uw God beminnen. Dat is het eerste gebod. En het tweede, daaraan gelijkwaardig: en uw naaste als uzelf.
Het gaat vandaag in de lezingen om de kern van ons geloof.

Twee beroemde tijdgenoten van Jezus zijn de rabbijnen Hillel en Sjammaj.
Een heiden gaat naar ieder van hen beiden toe, hij was onder de indruk geraakt van het joodse geloof. Als je mij de hele Bijbel kunt leren in de tijd dat ik op één been kan blijven staan, bekeer ik mij tot het jodendom'. Sjammaj jaagt de heiden weg: Dat is een onmogelijke opdracht, sterker nog, het is een beledigende vraag’. Maar Hillel zegt: `Wat vervelend is voor jou, doe dat je naaste niet aan. Dat is heel de Bijbel, de rest is commentaar. Ga en verdiep je er verder in'.

Het is de vraag die er toe doet. Wat heeft mijn leven te beduiden en hoe kan ik de weg vinden naar God? Jezus’ antwoord op deze vraag sluit aan op dat van Hillel: `Bemin God. Bemin je naaste evenzeer. Dat is de hele Bijbel’. Het antwoord op de vraag van de heiden is dus kort en bondig.

Beminnen. Liefde. Grote woorden die als een soort container kunnen gaan fungeren, waarin iedereen dumpen kan wat hij of zij erover kwijt wil. Vaderlandsliefde, clubliefde, romantische liefde, eigenliefde, ga maar door. Wanneer lijkt menselijke liefde op die van God?
Waar komt alles op aan? Dat je God bemint, en je naaste gelijkelijk. Als je de mens naast je bemint, ben je bezig met God, omdat je bezig bent zoals God. `Beminnen’ slaat dan niet op een of ander meewarig gevoel. Het doelt op beminnen in zijn puurste en meest belangeloze vorm, die van barmhartigheid: iemand recht doen, iemand tot zijn of haar recht laten komen, iemand goed behandelen, iemand in zijn kwetsbaarheid behoeden. Dan bemin je op een manier waarop God zelf bemint. Je laat de ander er in diens eigen waardigheid zijn. Ieder mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

In de Bijbel betekent beminnen: trouw zijn! Trouw zijn aan je medemens, hem of haar het leven gunnen. En dan is het heel concreet, zoals blijkt uit de eerste lezing van vandaag. `Zijn mantel voor de nacht niet afnemen, of als je hem geld leent dat niet doen uit eigenbelang'.

Twee geboden die bij elkaar horen: als je het geluk van je medemens aantast, dan tast je God aan en dan zal het je slecht vergaan, zo lazen we in Exodus. En het Evangelie zegt: Maak Gods liefde en mensenliefde niet los van elkaar, want ze zijn één! Als je ze van elkaar losmaakt, zegt de Bijbel, ligt eigenbelang op de loer. Dan kan het wel eens zijn, dat je in plaats van God te plaatsen in het middelpunt van je leven of je medemens, jij zelf het middelpunt bent en denkt dat het leven alleen maar om jou draait en dat alles jou moet dienen. En daar weten we alles van in onze geïndividualiseerde samenleving anno 2005. Moet de kwaliteit van de samenleving eigenlijk niet afgemeten worden aan de mate van barmhartigheid?

Liefhebben in de Bijbel, dat is jezelf uit het middelpunt plaatsen, de ánder daar neerzetten, je oriënteren op de ander. De ander herkennen; erkennen. Het is het vermogen de ware gestalte van een ander mens waar te nemen en waar te laten zijn. `Die ander tegenover mij is een ander ik’. Pas als je dat ziet ben je in de positie om iets te gaan doen.

We leven in een maatschappij, en de kerk doet daar duchtig aan mee, waarin alle nadruk ligt op doen. Maar doen is voor ons christenen niet het eerste. Waar het eerst en vooral om gaat is dat een ander beseft dat hij of zij er mag zijn; dat hij of zij waardevol is om wat hij is: `goed, zeer goed’. Waar dat gebeurt, van de ene mens tot de andere, daar gebeurt God in mensen. Want wat daar gebeurt, zijn mensen zoals ze bedoeld zijn. Gods evenbeeld. Leven als mens, is de kunst niet voor elkaar te denken , maar er voor elkaar te zijn. Dat is volgens mij God ontmoeten in je medemens. En vervolgens moeten we uiteraard doen.

Het is opvallend hoe vaak het in de Heilige Schrift, en met name in het Oude Testament, als het over de liefde gaat, er steeds over vreemdelingen gesproken wordt. In onze samenleving toch vaak mensen in de marge. In de Bijbel is dat anders: de vreemdeling neemt een ereplaats in en de anderen worden er op gewezen hoe hun houding tegenover hem moet zijn: open, hartelijk, eerbiedig. Een blijvend actueel thema.

Anderen tot zegen zijn en het bevrijdende verhaal van Gods solidariteit met de mensen doorvertellen tot aan de uiteinden der aarde, dat is, denk ik, onze opdracht. Zo samen bouwen aan het Koninkrijk Gods, aan een nieuwe wereld met ruimte voor iedereen.

De mensen van Thessaloniki hebben het geloof getoond in hun daden en hun woorden. Paulus complimenteert hen hiermee in de tweede lezing. Aan ons de taak om vastberaden en moedig het geloof, waarin generaties ons voorgingen, uit te dragen en door te geven aan nieuwe generaties. Geloven gaat niet vanzelf; het verhaal moet wel doorverteld worden. Door ons.
Dat vinden wij niet altijd gemakkelijk en dat is het ook niet. Maar we moeten er wel voor staan. Juist nu, in een samenleving die van God losgeslagen lijkt, komt het er op aan. Geen ja, maar' en enerzijds, anderzijds’, maar overtuigend door duidelijkheid en eerlijkheid. Een getuigenis in woord en in het uitgebeelde woord: in de daad. Anderen tot zegen zijn. Zo vervullen we het eerste gebod, door ons met hart en ziel te wijden aan het tweede.
Dat het zo moge zijn.

Zoeken in Preken Online