In de dagen van Jezus leeft het joodse volk onder de bezetting van de Romeinen, de Romeinse keizer is de baas over heel het gebied. En die Romeinse keizer was geen kleine jongen, in zijn eigen ogen niet en ook niet in de ogen van zijn onderdanen. Zoon van de goddelijke Augustus, zo werd hij genoemd en hij werd vereerd alsof hij God zelf was.
In de ogen van de vrome joden was dit een gruwel, voor hen was het gebod heilig: gij zult geen andere God aanbidden dan de Heer uw God die u weg geleid heeft uit Egypte, uit het slavenbestaan.
De keizer eiste belasting, die belasting legde een zwaar juk op de bevolking en vooral de armen en zwakken leden zwaar onder het systeem. De leiders van het joodse volk verschilden van mening over het betalen van belasting aan de keizer. De Farizeeën zijn fel tegen, zij zien het als een aanklacht tegen de eigen gebruiken en wetten van het joodse volk en als een belediging van de enige ware God. De Herodianen dwepen met het gezag van Rome, zij vinden dat je verplicht bent om de belasting aan de keizer te betalen.
Het is dus een wonderlijk span, wat daar bij Jezus staat, aartsvijanden die een monsterverbond hebben gesloten om Jezus in de val te lokken. Zegt Hij nee, je mag geen belasting betalen, dan krijgt hij te doen met de Herodianen, ze zullen Hem aanklagen als oproerkraaier, iemand die zich tegen het wettig gezag keert. Zegt Hij echter ja, je moet betalen, dan zullen de Farizeeën de kans grijpen. Zij zullen Hem zwart maken bij het volk als iemand die heult met de vijand. Jezus verkeert in een benarde positie.
Jezus doorziet wat er gaande is en vraagt laat mij de belastingmunt eens zien? Van wie is het beeld dat daarop staat? De keizer? Geef het dan terug aan de keizer, het is van hem! Maar geef aan God wat van God is.
In de geschiedenis is er heel wat af gepraat over de betekenis van ‘geef aan de keizer terug wat van de keizer is en geef aan God wat van God is.’ Is Jezus zijn tegenstanders gewoon te slim af, en spaart hij kool en geit. Of gaat zijn antwoord dieper.
Staande voor de tempel van Jeruzalem kijkt Jezus naar de dode munt en zegt Geef aan de keizer wat van de keizer is, maar geef de keizer niet wat God toekomt.
Anders gezegd als zijn beeld op die belastingmunt staat geef het hem terug,
maar geef hem niet meer, geef hem geen goddelijke eer. Stel niet heel je hoop op de keizer, ook al gedraagt hij zich alsof hij op Gods stoel zit.
Geef echter aan God wat God toekomt. Alleen God komt toe dat wij met heel ons hart en met al onze krachten ons toevertrouwen aan Hem. En ook geef aan God wat God beeltenis draagt, het komt God toe.
Voor de tempel van Jeruzalem kijkt Jezus naar de lammen, de blinden en de armen. Hij neemt één van hen bij de hand en zegt: dit is het beeltenis van onze God, deze mens en iédere mens is gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis.
We geven God wat God toekomt als we hen tot hun recht laten komen, als we opkomen voor wie gemakkelijk vergeten worden, als we het leed van de ander zien, als we bereid zijn ons in te zetten voor een menselijke en goede wereld.
Donderdagavond werd er in Voerendaal een theaterstuk opgevoerd: ‘Maria, moeder van altijddurende bijstand’. Een spiegel om ons te betrekken bij het levensverhaal van mensen in een langdurige achterstand situaties. Het stuk is geboren uit het levensverhaal van vrouwen die in de spiraal van armoede zijn geraakt en hoe zij ook proberen om zich eraan te ontworstelen, het lijkt er op dat de omgeving, de instanties nauwelijks oog hebben voor hun wensen en dromen. Het was een zeer indringend verhaal waar bij de mythe dat er in Nederland geen armoede meer is, ontkracht werd. Het meest schrijnende wat naar voren kwam vond ik dat als je in zo’n armoede situatie terechtkomt dan wordt er niet naar je geluisterd, er is geen oor voor je noden en wensen, er wordt over je beslist, je telt niet meer mee, je leed wordt genegeerd.
Het evangelie houdt ons vandaag ook een spiegel voor en vraagt hoe zit het bij jullie, hoe is dat bij ieder van ons hier? Geef je God wat God toekomt, vertrouw je op God, vertrouw je jezelf aan God toe, of toch maar liever hopen op de keizers van ons wereld?
Herken je het beeld van God in de mens om je heen? Iedere mens is immers beelddrager, hoe die er ook voor staat. In het gelaat van de ander, in het gezicht, in de ogen komt Gods beeld naar ons toe. Wanneer we dat diep gaan beseffen dan zal ons hart opengaan voor elke mens die ons pad kruist, dan zullen we leed niet negeren, dan telt een mens omdat hij/zij mens is, dan wordt de naam van een mens gerespecteerd en zijn we veilig bij elkaar.
Jezus vraagt van ons aan God te geven wat God toekomt. In zijn leven maakt Hij duidelijk dat God het best gediend wordt in de zorg en het respect voor onze medemensen.
Wat wil dat anders zeggen dan dat we werken aan gelijke kansen en opkomen voor hen die achtergesteld worden om hun afkomst, hun huidskleur, hun anders zijn.
Wat wil dat anders zeggen dan dat we ons bekommeren om mensen die verdreven zijn van huis en haard en hier bij ons veiligheid en een thuis hopen te vinden.
Wat wil het anders zeggen dan dat we liefdevol nabijblijven bij hen die ziek zijn, die de laste van het ouder worden dragen, dat we nabij blijven aan mensen die van anderen afhankelijk zijn geworden en niet meer voor zichzelf kunnen opkomen en zorgen.
We worden geroepen om te kiezen voor Gods wereld. En bij al wat wij doen voor ogen te houden dat wij en iédere mens geschapen is naar Godsbeeld, een beeld dat eerbiediging verdient. Wanneer wij zo proberen door het leven te gaan dan zullen we steeds meer gaan lijken op onze liefdevolle God en komt zijn beeld stralend aan het licht.