Afgelopen vrijdag werd ons land opgeschrikt door berichten dat het
Binnenhof was afgezet, centrum en teken van onze parlementaire
democratie. De eerste reacties waren er al weer heel snel, lang voor
alle feiten bekend waren: “Moslimterroristen wilden een aanslag
plegen.” Van eerdere berichten uit deze kringen weten we dat sommigen
van hen, onder wie Mohammed B., zich niet gebonden voelen door de
Nederlandse wet, maar alleen Allah willen gehoorzamen.
Dit komt zeker niet alleen in moslimkringen voor, en is niet typisch
voor de islam. Zo denk ik bijvoorbeeld aan Amerikanen die zo scherp
tegen abortus zijn dat zij als moord beschouwen terwijl het wettelijk
wel is toegestaan, dat ze bereid zijn om de burgerlijke wetten te
overtreden en desnoods zelf te doden.
Deze extreme voorbeelden laten zien dat het dilemma te moeten kiezen
tussen goddelijke en menselijke wetten nog niets aan actualiteit heeft
ingeboet sinds Joden zich afvroegen of zij wel belasting mochten
betalen aan de heidense keizer die zichzelf als god beschouwde en wiens
afbeelding op de belastingmunt stond afgebeeld, ook al geheel tegen het
Joodse verbod op het maken van beelden.
In dit geval mogen we ons overigens afvragen of het vandaag in het
evangelie inderdaad wel gaat om een dilemma of oprechte gewetensnood.
Jezus noemde zijn tegenstanders huichelaars omdat Hij hun bedoelingen
doorzag dat ze hem in de val wilden lokken. Nu was het ook wel verdacht
dat juist vertegenwoordigers van de Farizeeën en Herodianen - en nog
wel samen - bij Jezus kwamen met de vraag of het toegestaan was om
belasting te betalen aan de keizer. Dit was namelijk bij uitstek het
onderwerp waarover deze twee groeperingen het volstrekt oneens waren.
De Herodianen, aanhangers van Herodes Antipas, hadden belang bij de
handel in het Romeinse rijk en dus bij stabiliteit, en accepteerden dat
zij daarvoor belasting moesten afdragen aan de Romeinse keizer. De
Farizeeën waren vooral een volkspartij, en deelden ook hier de mening
van de overgrote meerderheid van het Joodse volk, dat
begrijpelijkerwijs een hekel had aan de Romeinse overheersers en al
helemaal aan de belastingen die iedere inwoner op moest brengen,
ongeacht hun inkomen. En nu komen ze samen bij Jezus en ze spreken met
één mond, en ze beginnen dan ook nog eens Jezus stroop om de mond te
smeren: “O Meester, u bent zo eerlijk en goed. U zegt altijd wat u
vindt, en praat niemand naar de mond.” Dat doet Jezus dan ook niet:
“Huichelaars! Waarom stellen jullie Mij op de proef?” Hij doet niet mee
aan hun spelletje, maar benoemt wat ze doen en confronteert ze met hun
boze bedoelingen. Ze verkeren absoluut niet in gewetensnood, maar zijn
gestuurd om Jezus in de val te lokken door hem voor een duivels dilemma
te plaatsen. Zegt Jezus dat het wel geoorloofd is om belasting te
betalen aan de Romeinse keizer, dan valt Hij uit de gratie bij het
volk; zegt Hij van niet, dan kunnen de Herodianen hem bij de Romeinse
overheid (laten) aanklagen wegens het aanzetten tot opstand. Jezus komt
er uit door ze te vragen hem een belastingmunt te laten zien. Dat was
geen gewone denarie (een dagloon), want daar zat geen afbeelding op
omdat het Joden verboden is beelden te hebben of te maken, maar een
Romeinse belastingmunt met de afbeelding en inscriptie van de keizer.
Hiermee omzeilt Jezus de strikvraag: “De munt van de keizer met de
afbeelding van de keizer hoort de Romeinen toe. Geef die aan de keizer.
Die moet je als Jood niet eens willen hebben.” Hiermee is de valkuil
omzeild en de discussie ten einde.
Hoewel …?
De beide Schriftlezingen van vandaag voegen ieder nog een belangrijk punt toe aan deze discussie.
De profeet Jesaja vertelt hoe JHWH, de God van Israël, de Enige God is
die zich aan Israël heeft verbonden maar toch volstrekt vrij is om een
heidense koning als zijn gezalfde aan te stellen om Israël te redden.
Dat woord “gezalfde” (Messias, Christus) staat er echt. Kortom, wie
zijn wij om te bepalen wie wel of niet namens God (kunnen) spreken en
handelen? Als God Cyrus wil gebruiken om aan de volkeren de
uitverkiezing van Israël te laten zien, wie zal daar dan commentaar op
hebben? De gedachten van God, de Schepper, gaan die van ons, schepselen
ver te boven. Niet voor niets klinkt in deze profetie tot tweemaal toe:
“Ik ben JHWH en niemand anders.”
De tweede en laatste opmerking van vandaag zit verpakt in het tweede
gedeelte van Jezus’ antwoord aan de Farizeeën en Herodianen: “Geef aan
de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.” In eerste
instantie letten we in deze discussie op het eerste gedeelte dat
inmiddels duidelijk is. Als de Romeinse belastingmunt de afbeelding van
de keizer draagt, geef die dan ook aan de keizer. Maar daar volgt op:
Geef aan God wat van God is. Volgens mij komen we hier in het hart van
de hele discussie, want waar doelt Jezus hier op? Alles is immers van
God, maar daar komen we niets verder mee, want alles is tegelijkertijd
ook niets. Als we alles aan God geven, verandert er feitelijk niets.
Nee, volgens mij doelt Jezus hier op iets specifiekers. Wat is van God,
waar we Gods eigen afbeelding op vinden zoals die van de Romeinse
keizer op de belastingmunt staat? De reden dat Joden geen afbeeldingen
mogen maken of hebben, is ten diepste vanwege het geloof dat de mens
zelf het beeld van God is. Wíj behoren God toe!
Jezus hoorde niet bij de revolutionairen van welke groepering dan ook
die (elk) wereldlijk gezag afwezen maar stelde wel steeds heel
principieel en consequent het welzijn van de mens voorop, en kwam in
opstand waar die werd onderdrukt, of dit nu was door de Romeinen of
door Farizeeën zelf van wie sommigen de strakke hantering van de regels
boven het menselijke geluk stelden. Daarom antwoordde Hij: “Geef die
verrekte belastingmunten aan de keizer, als dat zo nodig moet, maar
weet wel: jij zelf behoort God toe, en geen ander. Jij bént beeld van
God, naar Gods beeld geschapen als Gods geliefde mensenkind, en slaaf
van geen meester.”
Dit geldt voor jou en voor alle mensen, en hoort het richtsnoer te zijn
voor de geldigheid van alle goddelijke en burgerlijke wetten en voor
onze omgang daarmee.
De mens is beeld van God en behoort God toe (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen