De mens is beeld van God en behoort God toe (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Afgelopen vrijdag werd ons land opgeschrikt door berichten dat het Binnenhof was afgezet, centrum en teken van onze parlementaire democratie. De eerste reacties waren er al weer heel snel, lang voor alle feiten bekend waren: “Moslimterroristen wilden een aanslag plegen.” Van eerdere berichten uit deze kringen weten we dat sommigen van hen, onder wie Mohammed B., zich niet gebonden voelen door de Nederlandse wet, maar alleen Allah willen gehoorzamen.

Dit komt zeker niet alleen in moslimkringen voor, en is niet typisch voor de islam. Zo denk ik bijvoorbeeld aan Amerikanen die zo scherp tegen abortus zijn dat zij als moord beschouwen terwijl het wettelijk wel is toegestaan, dat ze bereid zijn om de burgerlijke wetten te overtreden en desnoods zelf te doden.

Deze extreme voorbeelden laten zien dat het dilemma te moeten kiezen tussen goddelijke en menselijke wetten nog niets aan actualiteit heeft ingeboet sinds Joden zich afvroegen of zij wel belasting mochten betalen aan de heidense keizer die zichzelf als god beschouwde en wiens afbeelding op de belastingmunt stond afgebeeld, ook al geheel tegen het Joodse verbod op het maken van beelden.

In dit geval mogen we ons overigens afvragen of het vandaag in het evangelie inderdaad wel gaat om een dilemma of oprechte gewetensnood.
Jezus noemde zijn tegenstanders huichelaars omdat Hij hun bedoelingen doorzag dat ze hem in de val wilden lokken. Nu was het ook wel verdacht dat juist vertegenwoordigers van de Farizeeën en Herodianen - en nog wel samen - bij Jezus kwamen met de vraag of het toegestaan was om belasting te betalen aan de keizer. Dit was namelijk bij uitstek het onderwerp waarover deze twee groeperingen het volstrekt oneens waren. De Herodianen, aanhangers van Herodes Antipas, hadden belang bij de handel in het Romeinse rijk en dus bij stabiliteit, en accepteerden dat zij daarvoor belasting moesten afdragen aan de Romeinse keizer. De Farizeeën waren vooral een volkspartij, en deelden ook hier de mening van de overgrote meerderheid van het Joodse volk, dat begrijpelijkerwijs een hekel had aan de Romeinse overheersers en al helemaal aan de belastingen die iedere inwoner op moest brengen, ongeacht hun inkomen. En nu komen ze samen bij Jezus en ze spreken met één mond, en ze beginnen dan ook nog eens Jezus stroop om de mond te smeren: “O Meester, u bent zo eerlijk en goed. U zegt altijd wat u vindt, en praat niemand naar de mond.” Dat doet Jezus dan ook niet: “Huichelaars! Waarom stellen jullie Mij op de proef?” Hij doet niet mee aan hun spelletje, maar benoemt wat ze doen en confronteert ze met hun boze bedoelingen. Ze verkeren absoluut niet in gewetensnood, maar zijn gestuurd om Jezus in de val te lokken door hem voor een duivels dilemma te plaatsen. Zegt Jezus dat het wel geoorloofd is om belasting te betalen aan de Romeinse keizer, dan valt Hij uit de gratie bij het volk; zegt Hij van niet, dan kunnen de Herodianen hem bij de Romeinse overheid (laten) aanklagen wegens het aanzetten tot opstand. Jezus komt er uit door ze te vragen hem een belastingmunt te laten zien. Dat was geen gewone denarie (een dagloon), want daar zat geen afbeelding op omdat het Joden verboden is beelden te hebben of te maken, maar een Romeinse belastingmunt met de afbeelding en inscriptie van de keizer. Hiermee omzeilt Jezus de strikvraag: “De munt van de keizer met de afbeelding van de keizer hoort de Romeinen toe. Geef die aan de keizer. Die moet je als Jood niet eens willen hebben.” Hiermee is de valkuil omzeild en de discussie ten einde.

Hoewel …?
De beide Schriftlezingen van vandaag voegen ieder nog een belangrijk punt toe aan deze discussie.

De profeet Jesaja vertelt hoe JHWH, de God van Israël, de Enige God is die zich aan Israël heeft verbonden maar toch volstrekt vrij is om een heidense koning als zijn gezalfde aan te stellen om Israël te redden. Dat woord “gezalfde” (Messias, Christus) staat er echt. Kortom, wie zijn wij om te bepalen wie wel of niet namens God (kunnen) spreken en handelen? Als God Cyrus wil gebruiken om aan de volkeren de uitverkiezing van Israël te laten zien, wie zal daar dan commentaar op hebben? De gedachten van God, de Schepper, gaan die van ons, schepselen ver te boven. Niet voor niets klinkt in deze profetie tot tweemaal toe: “Ik ben JHWH en niemand anders.”

De tweede en laatste opmerking van vandaag zit verpakt in het tweede gedeelte van Jezus’ antwoord aan de Farizeeën en Herodianen: “Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.” In eerste instantie letten we in deze discussie op het eerste gedeelte dat inmiddels duidelijk is. Als de Romeinse belastingmunt de afbeelding van de keizer draagt, geef die dan ook aan de keizer. Maar daar volgt op: Geef aan God wat van God is. Volgens mij komen we hier in het hart van de hele discussie, want waar doelt Jezus hier op? Alles is immers van God, maar daar komen we niets verder mee, want alles is tegelijkertijd ook niets. Als we alles aan God geven, verandert er feitelijk niets. Nee, volgens mij doelt Jezus hier op iets specifiekers. Wat is van God, waar we Gods eigen afbeelding op vinden zoals die van de Romeinse keizer op de belastingmunt staat? De reden dat Joden geen afbeeldingen mogen maken of hebben, is ten diepste vanwege het geloof dat de mens zelf het beeld van God is. Wíj behoren God toe!

Jezus hoorde niet bij de revolutionairen van welke groepering dan ook die (elk) wereldlijk gezag afwezen maar stelde wel steeds heel principieel en consequent het welzijn van de mens voorop, en kwam in opstand waar die werd onderdrukt, of dit nu was door de Romeinen of door Farizeeën zelf van wie sommigen de strakke hantering van de regels boven het menselijke geluk stelden. Daarom antwoordde Hij: “Geef die verrekte belastingmunten aan de keizer, als dat zo nodig moet, maar weet wel: jij zelf behoort God toe, en geen ander. Jij bént beeld van God, naar Gods beeld geschapen als Gods geliefde mensenkind, en slaaf van geen meester.”

Dit geldt voor jou en voor alle mensen, en hoort het richtsnoer te zijn voor de geldigheid van alle goddelijke en burgerlijke wetten en voor onze omgang daarmee.

Zoeken in Preken Online