Om Jezus een menselijk gezicht te geven, is ook het onderkennen van zijn polemieken met de andere leraars van wezenlijk belang. Jezus verstaan is zijn tegenstanders verstaan en die verstaan is onze eigen weerstand verstaan.
Eén groot wespennest valt Jezus aan. De voorname priesters van de vorige disputen, bijgestaan door die klerikale vossen, die Matteüs ‘de oudsten’ noemt, zijn afgevoerd. Nu treden de muggenzifters onder de Farizeeën aan. Ze sturen hun leerlingen naar Jezus om Hem op de proef te stellen. Ze sturen ze mee in het zog van de Herodianen, die, evenzeer als zij, Jezus proberen te vangen.
Jezus is zelf weer omringd door zijn leerlingen. Velen onder hen hadden hun sekten verlaten, hadden hun scholen en bewegingen opgegeven, om Jezus te gaan volgen die de Messias moest zijn. Matteüs was een leviet en de levieten waren dikwijls van farizeese tendens. Andreas, de broer van Petrus, en Johannes, de geliefde leerling, waren leerlingen geweest van Johannes de Doper. Die had in de woestijn zijn eigen school gehad. Simon wilde de wapens opnemen tegen de Romeinen.
Het is in deze krabbenmand van Messiasverwachters dat de leerlingen van de Farizeeën en de Herodianen vandaag hun Romeinse belastingmunt gooien. De enen heulden met de Romeinen, de anderen bestreden ze bedekt, allen verafschuwden ze hen wegens hun ontucht, hun wreedheden, hun immorele excessen, hun afgoderij die ging van varkensoffers tot vergoddelijking van de keizer. Het was aan dat soort bezetters dat belasting moest betaald worden.
De vraag aan Jezus, in het openbaar, in het bijzijn van zijn leerlingen en van de onderlinge vijanden, Farizeeën en Herodianen, kan niet smeriger. ‘Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet’?, vragen de ‘huichelaars’. Antwoordt Jezus ja op de strikvraag, dan heeft Hij de Farizeeën nog meer tegen zich. Antwoordt Hij nee, dan hebben de Herodianen schoon spel om Hem aan te brengen bij Herodes. Van zijn antwoord hangt ook af of zijn leerlingen zich verder tot Hem zullen bekennen of aan Hem zullen gaan twijfelen.
Jezus laat zich de belastingmunt tonen. De beeldenaar is die van keizer Tiberius. In de politieke orde is die meester in het land. Jezus stoort er zich niet verder aan. Betaal hem dan de schatting die ge anders aan een andere heerser zoudt betalen. ‘Geeft aan de keizer wat de keizer toekomt’. Keizers, koningen en presidenten spelen hun rol, ten goede of ten kwade, terecht of ten onrechte. Jezus voelt zich niet geroepen om zich hiermee bezig te houden.
Hij weet dat God alle mensen bestuurt, vroeger macht had over keizers en onderdanen, nu macht heeft over kiezers en gekozenen. Het is hieraan dat Jesaja herinnert. Cyrus was de koning van de Perzen, zeshonderd jaar vóór Tiberius keizer van Rome was. Maar wat Cyrus ook moge gedaan hebben, wat Tiberius in Jezus’ tijd ook moge doen, wat staatspresidenten later ook zullen doen, God bestuurt zijn volk en heel de wereld. De keizers zijn, bewust of onbewust, fijne of gebrekkige instrumenten in zijn hand. Toen Cyrus in Perzië aan de macht kwam en toen Hij alle volkeren amnestie verleende, was hij een instrument in de hand van God, die door hem Israël naar zijn land terugriep. Zo eindigde de ballingschap van het Godsvolk.
Als Rome Palestina bezet creëert God het politiek kader waarin de Messias optreedt. Het is in dat kader dat de Koning van alle volkeren zijn zending als Messias zal vervullen. God zet in Jezus zijn geschiedenis voort. Dat moeten de Farizeeën onderkennen. ‘Geeft aan God wat God toekomt’.
Wie op dat beslissend ogenblik van de geschiedenis de rol van keizer vervult is van geen belang. Geeft uw hart aan God, richt het op Hem. Het komt van God en het is meer dan een denarie. Is er een keizer, of een koning, of een president die dat kan veranderen? Maakt dan de politieke opties die ge wilt, kiest voor wie of wat ge goed oordeelt, maar weet eerst dat God voor u gekozen heeft, in een andere, voor u beslissende orde. Geeft eerst ‘aan God wat God toekomt’ en ‘dan aan de keizer wat de keizer toekomt’.