Wij weten niet meer wat God toekomt

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en geef aan God wat God toekomt! De Joden hadden moeite met hun verplichting om aan de keizer de belasting te betalen. Zij beschouwden de keizer als een onrechtmatige bezetter van hun land.

Wij zijn meer in de tegenovergestelde richting terecht gekomen. Wij geven aan de Staat, vrijwillig of niet, wat de Staat van ons vraagt. Tegenover God staan we heel wat meer bevangen, zijn we heel wat meer geremd. Veel mensen weten eenvoudigweg niet meer wat aan God toekomt. De statistieken over godsdienstpraktijk liegen er niet om: veel mensen geven God niets meer. De belastingpenning was eigendom van de keizer, omdat hij de beeltenis en het opschrift van de keizer droeg. Op dezelfde wijze zijn de schepping en de mens eigendom van God, want heel de schepping is het werk van zijn handen, zij draagt het zegel en het opschrift van God. En de bijbel zegt heel uitdrukkelijk dat de mens geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God. Zo behoort alles aan God toe. Alles moet dan ook terugkeren naar de Schepper.

Wij weten heel duidelijk wat de Staat toekomt, het is door de wetten geregeld en de Staat controleert het onderhouden van die wetten. Als wij de wetten vervuld hebben dan is de Staat tevreden.

Wat God toekomt, is veel moeilijker te bepalen, want God vraagt niet iets van de mens, Hij vraagt de hele mens. Wij mensen beho­ren God toe. Wij zijn zozeer Gods eigendom dat wij in Hem leven, bewegen en zijn. Elke slag van ons hart, elke ademhaling, elke goede gedachte komt van God. Als wij eens ziek zijn geweest, zullen wij wel weer beter beseffen wat het zeggen wil: ik krijg weer een nieuwe dag om te leven, ik mag weer gaan werken, ik kan mijn handen en mijn voeten weer bewegen, God zij dank. God vraagt meer van ons dan elke dag een gebed zeggen, dan ‘s zondags naar de mis te gaan, dan van tijd tot tijd een gebed zeggen. Jezus moet in alles onze Heer zijn. Ook in ons gezin, in ons beroep, in onze vrije tijd moeten wij God geven wat Hem toekomt. Zoals het zout de spijzen doordringt, zoals het gist heel het deeg doordesemt, zo moet onze verhouding met God heel ons profaan leven doordrin­gen. Heel het maatschappelijk leven behoort God toe. Het rijk van gerechtigheid en vrede, van waarachtigheid en liefde moet als gist werken in onze samenleving. Daarom is het onze plicht de hongerigen te spijzen, de naakten te kleden, de zieken te bezoeken, de gevangenen te verlossen. Waar het erom gaat de onrechtvaardige structuren in deze wereld te veranderen, sluit ons geloof ook zeker een politiek engagement in. Zeker, wij mogen ons geloof niet vermengen met politiek. Maar ook in de politiek mag en kan de christen nooit zijn geloof vergeten. Wij kennen niet de tegenstelling ôf God ôf de keizer, wij hebben als geloofshouding èn God èn de keizer. De christen moet in twee werelden thuis zijn, in de wereld van de maatschappij en in de wereld van de godsdienst. Hij moet de wetten van God en van de Staat eerbiedigen, natuurlijk in die zin dat men altijd meer aan God moet gehoorzamen dan aan de mensen. Ook wij, christenen, moeten erom bekommerd zijn dat de goederen van de aarde eerlijk verdeeld worden, de aarde moet immers bewoonbaar worden voor elke mens, die erop leeft. Overal moeten wij opkomen voor recht en gerechtigheid. Ook heel de schepping hoort God toe. God geven wat Hem toekomt wil dan ook zeggen: zich inzetten voor het welzijn van de wereld, Gods schepping. Wij hebben als mens de opdracht Gods schepping te voltooien en de geschiedenis naar haar einddoel te brengen. De atoombom, de milieuvervuiling, de plantenvergiftiging zijn waarschuwingstekens voor de mens, van wat er kan gebeuren als hij zelf het lot van de schepping in handen wil nemen.

Wie bewust God geeft wat God toekomt, zal ook als het ware vanzelf aan de keizer geven, d.w.z. aan de wereld, de samenleving, de schepping, wat hun toekomt.

Zoeken in Preken Online