‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt’. Het zou gemakkelijk zijn als wij duidelijk de wereld van God en de wereld van de keizer van elkaar zouden kunnen onderscheiden. Wij delen zo graag alles op in categorieën. Zo behoort de godsdienst thuis in de kerk en politiek en economie zijn dingen van deze wereld. Een leven volgens christelijke maatstaven is in deze maatschappij toch niet mogelijk. De staat gaat zijn eigen weg en de zaak van Jezus wordt geïsoleerd in het getto van het kerkgebouw teruggedrongen. Hebben Kerk en politiek iets met elkaar te maken? Heeft Christus zelf niet gezegd: ‘Mijn rijk is niet van deze wereld'?
Het Rijk Gods is alleen in zover niet van deze wereld, als het niet wordt rechtgehouden door bedrog, onderdrukking, geweld en macht. Maar het Rijk Gods groeit midden in deze wereld en het wordt zichtbaar gemaakt door mensen die zich bewust in naam van God inzetten voor gerechtigheid en vrede. Het is niet zo dat wij kunnen kiezen tussen God en de keizer als tussen twee gelijkwaardige partners. Het gaat integendeel tussen God en de keizer, tussen Hem die is en hem die gemaakt wordt, tussen Hem die de macht heeft en hem die de macht krijgt of steelt. Zo stelt Jezus heel duidelijk de betrekkelijkheid aan de orde van elke menselijke macht.
‘Welke beeltenis draagt de munt’? vraagt Jezus. De munt droeg het beeld van de keizer, dus moet hij aan de keizer teruggegeven worden. De munt heeft zijn waarde in het gebied waar de keizer zijn macht uitoefent. Wat moet er dan aan God gegeven worden? Het antwoord op die vraag moet luiden: datgene wat het beeld van God draagt. En dat is de mens. Naar Gods beeld en gelijkenis immers is de mens geschapen. Dus als de munt aan de keizer toebehoort, behoort de mens aan God toe. Aan God moet dus de mens gegeven worden, de mens als enkeling als beeld van God, en de mensen als gemeenschap als volk van God. Heel de mens behoort aan God toe en alle dagen behoren wij God toe, omdat wij alle dagen, helemaal van God afhankelijk zijn. Jezus zegt niet: ‘Geef alleen het geestelijke aan God en het aardse aan de keizer’, want ook wat van de keizer is, is van God en behoort ook toe aan de wereld, waartoe alle mensen behoren.
Daaruit volgen voor ons verschillende consequenties. Heel de mens behoort toe aan God, en als je de mens verdeelt in verschillende sferen, de sociale, de politieke, de godsdienstige sfeer, dan breek je in de mens het beeld van God in stukken. Daaruit volgt ook dat het niet voldoende is alleen ‘s zondags een uur lang een godsdienstig mens te zijn om God te geven wat Hem toekomt en om dan door de week, in de alledaagse dag, maar weer wereldse mensen te zijn om de keizer te geven wat hem toekomt.
Wie God wil geven wat Hem toekomt, is ook verplicht aan de keizer te geven wat de keizer toekomt. En omdat wij nu geen keizer meer hebben, kunnen wij dat nu zo vertalen: geef aan het kind, wat het kind toekomt, geef aan de Derde Wereld, wat de Derde Wereld toekomt, geef aan de buitenlanders, wat de buitenlanders toekomt, betaal de belastingen, die aan de staat toekomen.
Christenen hebben de plicht ook aan politiek te doen, dat wil zeggen, hebben de plicht om zich in te zetten voor rechtvaardige en menswaardige structuren in onze maatschappij. Christenen moeten een politiek voorstaan die voortkomt uit de geest van Jezus en ook al is het waar dat Jezus niet aan politiek gedaan heeft, zijn prediking heeft toch wel de politiek diepgaand beïnvloed. Een christelijke politiek zal steeds de nadruk leggen op de fundamentele rechten van elke mens, en in alle sociale en politieke wetten moet de mens op de voorgrond staan, als beeld van God. Het mag ook wel eens gezegd worden dat wij, christenen, als zodanig de plicht hebben aan politiek te doen om een gezonde samenleving op te bouwen en de mensen die zich eerlijk inzetten voor een gezonde politiek aan te moedigen en te steunen.
Misschien steekt er in dit evangelie toch meer dan wij op het eerste gezicht dachten.