Wij zijn op God gemunt

A-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Er zijn maar weinig woorden van Jezus die zozeer zijn misbruikt dan deze: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en geef aan God wat God toekomt’, alsof Jezus de scheiding zou huldigen tussen Kerk en staat. De Kerk wordt dan gezien als de vertegenwoordiger van God en de keizer als vertegenwoordiger van de staat. Zo is men dan gekomen tot een scheiding tussen de wereld van de godsdienst en de wereld van de politiek. Zo kwam men tot slagzinnen als: laat de politiek buiten de Kerk, de Kerk mag niet aan politiek doen en de pastoor moet in zijn sacristie blijven.

Jezus gaf aan de farizeeën in het geheel geen antwoord op hun vraag: ‘Is het geoorloofd belastingen te betalen aan de keizer?’ Dan had Hij alleen hoeven te antwoorden: ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt’. Maar Jezus voegt er uitdrukkelijk aan toe: ‘Geef aan God wat God toekomt!’ De betekenis wordt duidelijk door het laten tonen van het geldstuk met de vraag: ‘Welke beeltenis draagt de munt?’ Als zij dan antwoorden: ‘Van de keizer’, zegt Jezus als het ware onverschillig: ‘Wel, geef dan de munt aan de keizer als ze de keizer toekomt.’ Maar Jezus voegt er aan toe: ‘Maar geef dan ook aan God alles wat het beeld van God draagt.’

Heel de schepping draagt het stempel van Gods heerlijkheid en daarom is de wereld en al wat zij bevat eigendom van God. De mens is geen heer en meester van de schepping, hij is alleen maar de rentmeester. De schepping is niet aan de mens onderworpen, zodat hij ermee kan doen en laten wat hij wil. Wij zijn alleen maar medewerkers. God heeft de schepping aan de mens toevertrouwd om ervoor te zorgen.

En welke beeltenis draagt de mens? Hij is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Zoals dus de munt toebehoort aan de keizer, behoort de mens aan God toe. Wij allen zijn gemunt op God en de mens is het kapitaal waarmee God werkt. God kan aanspraak maken op heel de mens. Daar kan geen andere munt tegenop. Jezus wil niet de tegenstelling beklemtonen: of God of de keizer, maar en God én de keizer. De zorg om het evangelie en de zorg om de maatschappij staan niet los van elkaar. Alles wat de keizer toebehoort komt tenslotte aan God toe, want alles draagt het beeld van God. En zo kan men de woorden van Jezus met recht verruimen: geef aan het kind en aan de bejaarden, wat aan het kind en de bejaarden toekomt. En: geef aan de derde en vierde wereld, wat aan de derde en vierde wereld toekomt; geef aan de vreemdelingen wat aan de vreemdelingen toekomt; geef aan je ouders, aan je levenspartner wat hen toekomt. Als je dat zou doen dan geef je vanzelf aan God wat aan God toekomt. Immers ‘wat gij aan de minsten der Mijnen hebt gedaan, dat hebt ge aan Mij gedaan.’ God wil niet dat wij zijn beeld in de schepping en nog minder in de mens verminken of vernietigen. De glorie van God is het geluk van de mens. Hoe duidelijker het beeld van God in de mens zichtbaar wordt, des te meer wordt God verheerlijkt. En door alle mensen hun rechten toe te kennen erkent men ook de rechten van God. De liefde tot God verwerkelijkt zich in de liefde tot de naaste. Hoe kun je immers zeggen dat je God alle rechten geeft terwijl je je naaste zijn rechten niet wilt toekennen?

Zo eenvoudig is het, maar wij maken het vaak zo moeilijk.

Zoeken in Preken Online