De valstrik is bijzonder slim uitgezet. Farizeeën en Herodianen waren geen goede vrienden. De eersten waren tegen de Romeinse bezetter gekant, terwijl de Herodianen (sympathisanten van Herodes) profiteerden van de bezetting. Maar nu vinden ze elkaar in een gemeenschappelijke vijand: die man uit Nazaret. Hun captatio benevolentiae is door en door hypocriet: ‘U bent een waarheids¬lievend man. U laat zich door niemand beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen.’ En dan komt de vraag waar Hij wel móét inlopen: ‘Mag men belasting betalen aan de keizer of niet?’ Zegt Jezus ja, dan heult Hij met de Romeinen en hebben de Farizeeën de gedroomde aanleiding om Hem te beschuldigen. Zegt Hij dat belastingen betalen niet geoorloofd is, dan hebben de Herodianen Hem te pakken als opstandeling tegen de keizer. Een perfect dilemma dus.
Nu weet Jezus wel waar ze op aansturen. Hij is moedig genoeg om desnoods helemaal geen antwoord te geven. Maar Hij trekt de vraag op een heel onverwachte manier open. De munt draagt de beeltenis van de Romeinse keizer. Die diende in zijn rijk als goddelijk erkend en vereerd te worden. De eerste christenen weigerden dat te doen. Ze werden van goddeloosheid beschuldigd en navenant gestraft. Jezus had dus heel kort kunnen antwoorden: ‘Betaal geen belastingen, want daarmee erken je de keizer als god.’ Hij zou voor de gevolgen van zijn antwoord niet teruggeschrokken zijn, want Hij voelde in die laatste dagen wel dat het op de een of andere manier fataal zou aflopen.
Het geheim van dit verhaal zit in een verzwegen zinnetje dat een goed verstaander nauwelijks kan ontgaan. De afbeelding van de keizer maakt duidelijk dat de munt inderdaad van hem is, dus geef hem die terug, want het is zijn bezit. Maar als mens ben je beeld van God; je bent dus niet bestemd om aan de keizer gegeven te worden, maar aan God.
Dat antwoord is des te merkwaardiger omdat het een onverwachte omweg maakt. Jezus stelt niet zomaar de ware God tegenover de keizer-afgod. Hij maakt er geen machtsstrijd tussen goden van. Hij maakt een omweg via de mens, via jou en mij! Hij zegt: ‘Denk eraan wie je bent, naar wiens beeld jij, als mens, geschapen bent. Alleen Diegene wiens beeld jij bent, zal je respecteren. Laat alleen die God echt Heer over je leven zijn. Geef jezelf in laatste instantie alleen aan Hem en niet aan een andere heerser.’
Heersers zijn er genoeg en ze dingen allemaal naar onze gunst. En dienen doen we eigenlijk altijd, zelfs als we denken volkomen onafhankelijk en vrij ons leven in handen te hebben. Dit soort vrijheid is meestal een dekmantel voor eigen willekeur. We dienen altijd een heerser. In het evangelie genieten heersers geen al te beste faam. Maar zelfs goede heersers kunnen en mogen nooit helemaal beslag leggen op mensen, om de eenvoudige reden dat ze niet kunnen geven wat de mens in laatste instantie nodig heeft. Dat kan alleen God.