27e zondag door het jaar A (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Beste dorpsgenoten,

Dit is de derde zondag in een rij dat er in het evangelie sprake is van een wijngaard: arbeiders in de wijngaard, een man die zijn twee zoons vraagt te gaan werken in zijn wijngaard en vandaag een verhaal dat uitloopt op moord en doodslag.

De eerste lezing uit Jesaja past heel goed in deze reeks. Ze begint met de woorden: “Ik wil zingen voor mijn vriend.” Want wijn roept op tot zingen. Het lied loopt heel slecht af en dat past goed bij het dramatische einde van het evangelie.

Van de eerste lezing kunnen we verder zeggen dat ze een wijnboer presenteert die geen knip voor de neus waard is: als je een nieuwe wijngaard aanlegt, moet je veel geduld hebben en niet onmiddellijk een goede oogst verwachten.

De eerste lezing eindigt met de woorden: “De wijngaard van de Heer der hemelse machten is het huis van Israël.” En iemand die het nieuws over Israël bijhoudt, zou kunnen denken dat ook het Israel van nu geen vrucht oplevert maar voornamelijk geweld en vernietiging. Alsof de profetie van Jesaja tot in onze dagen waar blijft.

En ook het evangelie eindigt hard: “Het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.” Dat klinkt niet als goed nieuws.

Het woord “zingen” uit de eerste regel van de eerste lezing doet me denken aan een oude film van Ingmar Bergman. Toen de vrouw van de dominee nog leefde, kwamen de mensen graag naar de kerk, want zij kon prachtig zingen. Toen met haar het zingen wegviel, werd het kerkje leger en leger. De film eindigt met de dominee die vanaf het altaar de woorden uitspreekt; “Heilig, heilig, heilig, vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.” In de kerk zit nog één vrouw, die huilt.

Het lijkt wel of met het zingen in de volle kerk ook de aanwezigheid en de heerlijkheid van God verdwenen is.

Moeten we dan verstaan dat onze tijd en daarmee wijzelf die wijngaard zijn die aan verval en verwaarlozing wordt overgelaten of dat wij degenen zijn aan wie het Rijk Gods wordt ontnomen? Dat zou ik niet graag gezegd willen hebben. Wel blijven de kerken leeg, wel ontbreekt Gods heerlijkheid op aarde, zou men zeggen.

Vroeger wisten we heel zeker dat er een wereld was vol met Gods heerlijkheid, de hemel, waar God ons ooit zou opnemen. Wat we toen geloofden had eeuwigheidswaarde: naar het verleden was het zo altijd geweest en naar de toekomst zou het zo tot in alle eeuwigheid blijven.

Nu lijkt het er eerder op dat wij het zijn die zoeken om voor God een bescheiden plaatsje tussen ons in te vinden, hier op deze aarde, in dit leven.

Nu moeten we er oog voor krijgen dat God en alles waar God voor staat ons tegemoet komt niet vanuit de hemel maar vanuit ons dagelijks leven en werken op deze aarde en vanuit de manier waarop we met onze medemensen omgaan. De manier waarop we met elkaar omgaan, vormt de enige hemel waar God woont. In de manier waarop Jezus leefde, proeven we de nabijheid van God. In die zin kan Jezus terecht zoon van God genoemd worden. In Jezus was en is God ons rakelings nabij.

In Jezus zien we de wijngaard die overvloedig vrucht levert, samen met Jezus zijn wij de erfgenamen van de wijngaard. Dat blijft de blijde boodschap die we mogen horen in de harde lezingen van deze zondag.

De blijde boodschap staat uiterst kort en praktisch samengevat in de gulden regel: “Wat gij wilt dat anderen u doen, doet dat ook aan hen,” die Jezus hanteert.. Die roept ons op tot een vitale crisis, als het komen en gaan van de seizoenen, een breuk in ons levenspatroon. “Bekering” heet dat in de woorden van Jezus. Zonder die bekering blijven we hangerige kloon van wat we altijd geweest zijn en blijven we steken in de status quo, een geleerd woord voor hel: zo is het altijd geweest.

Tegen dat perspectief is God een werkwoord, waar we onze handen vol aan hebben, juist zoals de wijngaardenier aan zijn wijngaard.

Dat het zo moge worden.

Zoeken in Preken Online