Jezus betreedt het grondgebied van Jeruzalem.
Zijn weg leidt tot in het hart van de stad, tot in de tempel.
Daar verwijdert Hij de corruptie van de geldwisselaars.
Daar verkondigt Hij zijn boodschap van het koninkrijk van God.
Maar kan dat zomaar?
Heeft iemand Hem daartoe gemachtigd?
Op wiens gezag verkondigt Hij zijn boodschap?
Zo wordt Jezus het vuur aan de schenen gelegd door de hogepriesters en de oudsten van het volk.
Zij, die een machtige elite vormen binnen het Joodse volk van die dagen.
En met hen is Jezus vandaag gewikkeld in een discussie.
Jezus is dus -en het is goed om dat te benadrukken- Jezus is niet in discussie met het hele Jodendom.
Maar de hogepriesters en de oudsten luisteren niet naar wat Jezus te zeggen heeft.
Zijzelf bepalen wat wel en niet verkondigd kan worden.
Zij kijken alleen naar hun eigen gezagspositie en daarom wijzen ze Jezus af.
Maar Jezus reageert gevat.
Hij vertelt een verhaal.
Hij verpakt zijn antwoord in een gelijkenis.
Hij zet de leiders steeds weer op hun nummer, in het bijzijn van het volk.
Nog één poging zal Hij wagen om de hogepriesters en oudsten duidelijk te maken wie Hij is.
Dat Hij niet zomaar een oproerkraaier is.
Maar in een lange traditie staat van profeten.
Mensen, die God naar Israël zond met de oporoep tot gerechtigheid.
Het visioen van het koninkrijk.
“Er was eens een man die een wijngaard plantte” -zo begint Jezus zijn verhaal.
Een verhaal waarin Hij kritiek levert op een gezag dat alleen nog zijn eigen belang zoekt.
Het verhaal dat Jezus hier vertelt, doet onweerstaanbaar denken aan het lied van Jesaja, dat we hoorden in de eerste lezing.
Jesaja die zijn lied zingt op het tempelplein.
“Ik wil zingen voor mijn dierbare vriend, het lied van mijn dierbare vriend en zijn wijngaard”.
De wijngaard was in die dagen beeld voor de geliefde, de vriendin.
Het lied van Jesaja is dus eigenlijk een liefdesliedje.
Die goede vriend -ja ja, een goede vriend…., ben je geneigd te denken- is verliefd.
Hij zorgt goed voor zijn geliefde voor zijn wijngaard.
Hij slooft zich voor haar uit, maar alles wat het hem oplevert zijn alleen maar wilde bessen.
Ruzie.
Gezeur.
Overspel misschien wel.
“Er was eens een man die een wijngaard plantte” -horen we Jezus zeggen.
En met deze gelijkenis treedt Jezus heel nadrukkelijk in de voetsporen van Jesaja.
Jezus heeft het vooral tegen de leiders van het volk.
Hij geeft profetische kritiek op leiders die zich meer eigenaars dan pachters voelen.
Leiders, die zich alleen maar verrijken ten koste van anderen.
Die geen oog meer hebben voor de mensen.
De parabel is het verhaal van Gods teleurstelling.
God, die de aarde bedacht heeft als een plaats waar het goed is.
Een plek om in gerechtigheid en vrede te leven.
Maar mensen neigen er steeds weer toe de wereld, andere mensen als hun bezit te beschouwen.
Mensen beschouwen elkaar maar al te vaak als eigendom, als middel tot een doel.
We kennen er genoeg voorbeelden van.
Dat in relaties partners zich de andere toe-eigenen.
Doordat ze precies dat moeten worden wat de ander voor ogen staat.
Zonder dat geluisterd word naar wat de ander zelf eigenlijk wil.
Dat op een werkplek mensen het eigendom van hun superieuren of van het bedrijf kunnen worden.
In onze wereld leggen geduld, goede wil en een uitgestrekte hand het vaak af tegen een opgestoken vinger of een gebalde vast.
En mensen die het anders willen.
Mensen die wel geduld en liefde willen blijven geven, worden al snel de wijngaard uit gezet.
Want zulke mensen zijn lastig.
Voor mensen die willen blijven geloven in de mooie plannen van God met zijn wijngaard, is in deze wereld maar weinig plaats.
Dat zien we dan ook met Jezus gebeuren.
Dat is het droevige slot van het lied van de wijngaard, van het verhaal over de pachters.
De hardheid van de wereld lijkt het steeds weer te winnen van het geduld en de liefde van God.
En toch…….toch vertelt Matteüs ons geen pessimistisch verhaal, ondanks de dreigende woorden aan het eind:
“Het koninkrijk wordt jullie afgenomen, en het wordt gegeven aan een volk dat wel vruchten voortbrengt”.
Dat volk, daar gaat het om.
Maar wie is dat volk? Wie zijn die mensen?
Het gaat hier om de gewone mensen. Om ontvankelijke mensen met verwondering.
De leiders haken af.
Maar het volk zelf draagt vrucht, en daar gaat het koninkrijk verder.
Het koninkrijk gaat door. Met wie maar wil.
Ook met ons. Ons is het koninkrijk gegeven.
Als wij dit koninkrijk willen opbouwen dan is het goed om God als hoeksteen te plaatsen.
Daarop mogen wij dan onze stenen leggen van gerechtigheid, liefde, geduld, vergeving.
Vooral in deze stormachtige tijd hebben wij God nodig.
Zijn belofte kunnen richting en zin aan ons leven geven.
Ons mens zijn, de dingen rondom ons heen hebben niet de toereikende grond in zichzelf.
Alleen God die zich geopenbaard heeft als de scheppende liefde is de hoeksteen van ons bestaan.
Wij zijn door Hem aanvaard, en mogen vertrouwen op zijn liefde.
Hij roept ons op om zinvol en moedig te leven.
Zó krijgt ons leven een nieuwe zin.
En door zijn beloft van trouw breekt een stroom van licht door de duisternis van bestaan.
De wijngaard (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen