Jesaja laat ons een lied horen, een ballade die direct van God komt: het lied van de wijngaard. Het is een gedicht dat in zijn tekst op zichzelf staat. Waarschijnlijk is het oorspronkelijk een soort orakel geweest bij de een of andere feestelijke gebeurtenis. De profeet treedt op als een minstreel en zingt een ballade. Een liefdeslied over een niet beantwoorde liefde. De toon is aanvankelijk wat luchtig. De setting populair. Het verhaal simpel. Het begint als een echt luister¬lied. Dat verandert als de geliefde, die zo mooi bezongen wordt dat je wel met hem moet sympathiseren, bedrogen uitkomt. De geliefde wijngaard, met zo’n zorg geplant in vruchtbare grond, en met zoveel liefde omgeven, brengt alleen maar wat armzalige zure krenten op. Ons, luisteraars, wordt dan gevraagd om ons oordeel te geven. De zanger zegt zelf de minnaar te zijn. En dan in een plotselinge wending, zijn de luisteraars de producenten van die zure en onbruikbare druiven.
Die keer in het lied komt in het laatste vers van de tekst (5,7). Hoewel dat vers bij de tekst hoort die voor deze zondag voorzien is, geven sommige Nederlandse missaalteksten niet het gehele vers (bijvoorbeeld de Gemeenschapsmissaal voor zon- en feestdagen). Dat is jammer, want op die manier wordt ook de beschrijving van de wrange druiven die geproduceerd worden weggelaten.
Die tekst liegt er niet om: ‘Hij hoopte op rechtvaardigheid en vond een bloedbad; hij hoopte op gerechtigheid en hoorde niets dan een eindeloos verdriet.’ Zoals in een lied of gedicht hoort, rijmt de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. ‘Hij zocht naar misjpat (recht¬vaardigheid), en vond mispach (een bloedbad), naar tsedakah (ge¬rechtigheid) en trof een tse‘akah (angstschreeuw).'
Het gaat bij deze ‘zure druiven’ eerder om gemeenschappelijk en publiek zondige werken dan om persoonlijke en individuele ver¬grijpen tegen de rechtvaardigheid. Het is binnen de maatschappij zelf dat verhoudingen zó georganiseerd zijn, dat er geen recht gedaan wordt aan alle leden van die gemeenschap, en dat niet iedereen zijn of haar deel krijgt.
Dit onderscheid is belangrijk. Het betekent niet, dat de meer persoonlijke zonden over het hoofd gezien worden. Maar die per¬soonlijke onethische beslissingen verklaren niet alle ellende. We hebben de zaken in deze wereld zó georganiseerd, dat die onrecht¬vaardigheid structureel in onze handel en wandel ingebakken zit. Je hoeft de laatste encyclieken van Johannes Paulus II maar te lezen om te weten dat ook hij die mening is toegedaan. Het is ook het hoofdthema in het bekende Kairos-document dat enkele jaren gele¬den in Zuid-Afrika door een groep christenen uitgegeven werd. Er wordt in dat document een verschil gemaakt tussen de toenmalig gebruikelijke racistische staatstheologie van Zuid-Afrika, de officiële theologie van de kerken (onder andere de r.-k. kerk) die daar tegen waren, en de theologie van de basisgemeenten.
De staatstheologie is zonder meer onrechtvaardig. De officiële theologie van de protesterende kerken graaft volgens de Kairos-groepen ook niet diep genoeg. Die preken alleen maar persoonlijke bekering en de daaruit voortvloeiende vergiffenis, verzoening en vrede. Op die manier wordt het systeem van apartheid als zodanig niet aangepakt. Structureel blijft alles zondig. We laten de oorzaak van de ellende voor wat ze is, en strijken er alleen wat witkalk over.
Wij waren er aan gewoon geraakt, zonde te zien als iets indivi¬dueels en persoonlijks. Het is ook de manier waarop we onze zonden beleden, en nog vaak belijden. Het gaat er hier niet om, die per¬soonlijke dimensie in de onrechtvaardigheid en de zonde van onze wereld te ontkennen. Dat zou zonder meer dwaas zijn.
Een profeet als Jesaja heeft het echter ook, en misschien zelfs wel hoofdzakelijk, over de ‘sociale’ of structurele zondigheid. Een on¬rechtvaardigheid die zo groot is, dat we ons zonder meer neerleggen bij het feit dat er een eerste, een tweede, een derde, en in ons eigen midden een vierde wereld is. Dat we koffie, thee, chocolade en si¬naasappelsap drinken uit streken die van de honger en ellende om¬komen. Dat we ons kleden in hemden en bloezen die vaak in elkaar gestikt worden door kinderen in Aziatische ‘sweat shops'.
Liet mijn missaal daarom dat zevende vers weg?